KONINGINNENTEELT - DE HOGESCHOOL VAN DE IMKERIJ

‘HET   BOEK   MET   DE   ZEVEN   ZEGELS’

* * *

10 gouden omlarfregels voor koninginnenteelt

Koninginnenteelt in een notendop

Werken met de starter

Telen in een moergoed volk

De bruidsvlucht in beeld

Het invoeren/verwisselen van een koningin

Selectie van goede koninginnen

 

 

10 gouden omlarfregels voor koninginnenteelt

  1. De beste tijd voor koninginnenteelt is tijdens de sterkste broedontwikkeling (half mei/juni).
  2. Een schone, ca 3x bebroede raat wordt op dag 0, b.v. ’s maandags om 17.00 uur, midden in het broednest van de teeltmoer geplaatst. Deze raat wordt eerst met een lichte honingoplossing besproeid en daarmee direct aangenomen.
  3. De volgende dag (dinsdag) om 9.00 uur is de raat belegd. Het is beter NIET te controleren, aangezien de nog zeer jonge eitjes erg kwetsbaar zijn.
  4. Drie dagen later (3 x 24 uur), dat is dus op de 4e dag, vrijdagmorgen om 9.00 uur, kun je beginnen met overlarven. De larfjes zijn nu tussen 0 – 12 uur oud en bevinden zich op het midden van de raat.
  5. Aanname van zeer jonge larven ligt echter doorgaans lager (beschadigingen, verkeerde ligging, etc.), dan larfjes van één tot anderhalve dag (= 24-36 uur) oud.
  6. Larfjes van 1 dag (= 24 uur) oud zwemmen in kleurloos voedersap. Larven in melkachtig voedersap zijn voor de teelt al te oud (3 dagen).
  7. Gebruik bij het overlarven ‘koudlicht’, vermijd direct zonlicht, droge hitte van een tafellamp en langdurig verblijf (> 6 uur) buiten de kast (uitdrogen).
  8. De omlarfnaald (-lepeltje) schuif je aan de rugzijde onder het larfje en tilt haar rechtstanding omhoog, daarna strijk je haar voorzichtig af midden op de bodem van het donkere kunststof omlarfdopje. Deze vooraf voorzien van een speldeknop voedersap.
  9. In een moerloos pleegvolk worden altijd meer omgelarfde doppen (ca 30) aangenomen, dan aangeblazen doppen in een moergoed pleegvolk (ca 15) met een door een moerrooster afgescheiden koningin.
  10. Het gunstigste moment van invoeren van teeltmateriaal in een starter of anderszins is na het intreden van onrust door afwezigheid van de koningin (na ca. twee uur) c.q. weghalen van de redcellen in het pleegvolk.

 

 

Koninginnenteelt in een notendop

Dag 0
Hang om 17.00 uur een schone, ca 3x bebroede raat midden in het teeltvolk.

Dag 4
Ga op deze dag overlarven en hang, in een daags tevoren geheel moerloos gemaakt, sterk pleegvolk, het teeltmateriaal tussen de ramen met flink stuifmeel en voer,

Dag 14
Neem alle doppen op één na uit het pleegvolk (niet afschudden), houd ze warm op ca 33 graden in een broedstoof of plaats ze in kleine bevruchtingskastjes.

Dag 22
Vanaf deze dag is de koningin bronstig en maakt bij ca 20 graden en weinig wind haar bruidsvlucht

Dag 27
Als het weer gedurende de laatste 5 dagen gunstig is geweest, kan ze nu beginnen met leggen.

NB
Bij slecht weer wordt de bruidsvlucht uitgesteld, maar de koningin moet wel binnen 3 weken bevrucht zijn.

 

 

Werken met de starter

Een starter is bv. een drieraamskastje met een losse opbouw (de kop). Deze zijn van elkaar gescheiden door een uitschuifbare metalen plaat onderin de opbouw. In deze opbouw komen later de 4 teeltlatten ca 3,5 cm boven de ramen te hangen. Het kastje wordt gevuld met drie ramen, d.w.z. een voerraam (iets opengekrabd voer), een stuifmeelraam en in het midden een waterraam. Voor dit laatste een honingkamerraam gebruiken, omdat hieronder voldoende ruimte overblijft na het "bijgieten" van de bijen. Het waterraam wordt dus ingehangen zodra de bijen, tussen de andere twee ramen in, zijn toegevoegd.

De bijen in de starter moeten bij voorkeur de voedsterbijen zijn die jonge larven verzorgen. Het zijn immers deze bijen, die goed ontwikkelde voedersapklieren hebben en dus veel koninginnegelei kunnen produceren.

Hoe krijgen we juist deze bijen in de starter?

Daags tevoren maak je het volk dat de bijen moet leveren als volgt klaar:

  1. In de benedenbak plaats je de moer met het GESLOTEN broed en enkele lege broedramen.
  2. Tussen de benedenbak en de bovenbak komt een rooster.
  3. In het midden van de bovenbak het jongste open broed bij elkaar hangen.
  4. Direct daar naast enkele ramen met flink wat stuifmeel.
  5. En dan pas de overige broedramen inhangen.

Gedurende de volgende nacht verzamelen onze goede voedsterbijen zich op deze middelste raten. Zij eten flink van het stuifmeel en zijn dan in optimale conditie. De volgende dag, zonder eerst de moer te hoeven zoeken, deze 4-8 ramen open broed in een emmer afslaan (ca 600 gram bijen) om de starter te vullen. Na 3 uur reis je met dit kastje vol bijen naar een omlarflokatie en worden in dit moerloze startervolkje de teeltlatten met larfjes geplaatst (Dag 0). De opbouw afsluiten en de metalen schuif voorzichtig eruit trekken. De bijen kunnen nu reeds hun gang gaan en jij kunt nog rustig even na-/bijkletsen.

Na een dag (24 à 30 uur) zijn de dopjes aangenomen en de larfjes liggen nu royaal in het voedersap ("in de melk"). We geven nu de bijen met de aangenomen dopjes aan het volk terug. Het teeltraam hangen we midden tussen het open broed van de bovenbak. De gesloten doppen op de 11e dag inkorven of in een bevruchtingsvolkje met uitsluitend jonge bijen overzetten.

 

 

Telen in een moergoed volk

Telen in een moergoed volk berust volgens Ulf Gröhn, één van de grote koninginnentelers in Zweden, op stille moerwisseling (plotselinge afname van het aantal eitjes/larfjes in de bovenbak) en niet op een gevoel van moerloosheid. Het vereist een aantal cruciale handelingen.

  1. Kies een uitstekend volk op 2 broedkamers met tenminste 8 volledig belegde broedramen in de onderbak en de tweede broedloze bovenbak minstens voor de helft gevuld met bijen.
  2. De koningin zit beneden het rooster, welke tijdig is aangebracht tussen de twee kamers.
  3. Drie ramen met broed in alle stadia (brias), maar NIET met veel eitjes, gaan uit de onderste broedkamer naar boven.
  4. De koningin blijft uiteraard in de onderste broedkamer beneden het rooster.
  5. Het volk wordt nu 3 dagen met rust gelaten.
  6. Op het einde van de derde dag of begin vierde dag wordt de bovenste kamer in orde gemaakt, door een ruimte te maken voor het teeltraam, welke tijdelijk weer wordt opgevuld met een honingraam.
  7. Drie uur later wordt dit honingraam weggehaald en in de vrijgekomen ruimte wordt dan het teeltraam geplaatst. De teelt is nu gestart.

 

 

De bruidsvlucht in beeld

 

De dar bestijgt de moer

Op haar bruidsvlucht trekt de koningin door geursignalen (feromonen)
de darren aan. Chemische brutoformule: 9-ODA=9-oxodeceenzuur
Chemische structuurformule: 9-ODA=(E)-9-oxo-2-deceen zuur

 

Afhaken, au..!

 

 

Knap, zei ‘t . . .
Het bevruchtingsteken, de 'vlag', blijft achter.
De dar dwarrelt stervend omlaag.

 

 

Het geslachtsorgaan van de dar.

 

 

Bevruchting van de moer.

 

 

Het invoeren/verwisselen van de koningin.

Enige jaren geleden merkte ik, dat bijen zich lang aangetrokken bleven voelen door een plastic moerhuisje (haarkruller), waarvan de moer juist was uitgelopen. Ook zag ik, dat een opgesloten moer in zo'n moerhuisje zich met haar beide achterste poten dikwijls over haar achterlichaam streek. Met deze ervaring en wat denk- en speurwerk, heb ik toen onderstaande, eenvoudige methode uitgedacht, welke reeds enkele jaren met veel succes door mij wordt toegepast.

Haal de moer uit de kast en laat deze kast 2 uur moerloos. Na ca 2 uur is de acceptatie van een nieuwe moer namelijk het grootst. Houd de moer 1 uur op kamertemperatuur in een plastic Nicot invoer-/ transportkooitje voorzien van wat honing/suikerdeeg. Geef haar om het half uur een klein druppeltje verdunde honing. De nieuwe moer gelijktijdig en precies zo, maar dan uiteraard in een ander Nicot invoer-/transportkooitje (kooitje even merken). Na 1 uur, als de moeren voldoende "footprint" feromonen hebben achtergelaten in hun kooitjes, ga je de moeren van kooitje verwisselen. Hierin verblijven ze opnieuw 1 uur en nemen de feromonen van elkaar over. Na totaal 2 uur dus, hang je het kooitje met de nieuwe moer tussen de raten boven in het broednest van de bestemde kast. De volgende dag even kijken of ze al bevrijd is, anders laat je haar voorzichtig inlopen, eventueel met een beetje rook. Deze wisseltruc werkt feilloos bij een bevruchte, leggende moer van hetzelfde ras, dezelfde stam en/of lijn.

 

 

Selectie van goede koninginnen

Hoewel ik helemaal geen voorstander ben van de Aalster bedrijfsmethode, kan het ons op 't punt van teeltkeus toch wel eens (eenmalig) goede diensten bewijzen, zij het op een wat grove manier. Heeft men op zijn stand een volk, dat uitblinkt in honingopbrengst, zwermtraagheid en andere gewenste eigenschappen, dan is men geneigd daarvan afstammelingen te kweken. Dit zal men als volgt kunnen doen:

Van dit 'elite-volk' maakt men eind mei de kunstzwerm een 5-tal dagen eerder dan van de andere volken. Het gevolg is, dat het dus ook een 5-tal dagen eerder rijpe koninginnen heeft dan de andere volken. Als men dit volk, als het 'getuut' heeft, op de 13e dag na het maken van de kunstzwerm van zijn moercellen ontdoet, heeft men de beschikking over een flink aantal jonge koninginnen 'van goede huize'.

Elk volk, dat men ervan wil voorzien, kan men er één geven door in het voergat wat rook te blazen en dan de jonge koningin laten inlopen. Deze wordt dan vlot aangenomen. Hoort men ze de volgende dag 'tuten', dan snijdt men alle moerdoppen weg en heeft het volk de gewenste koningin.

Als alle afstammelingen van een goede koningin nu maar van dezelfde prima kwaliteit waren, dan waren we er. Doch we weten, dat dit niet altijd het geval is, want ook de darren en velerlei andere factoren spreken een woordje mee bij de vererving. Maar het kan toch een stap in de goede richting betekenen.

P.S.:

Het doppen breken bij de hoofdvolken is een secuur werkje, omdat redcellen dikwijls moeilijk op te sporen zijn. De ramen moeten daarom één voor één BESLIST AFGEKLOPT WORDEN, daar men anders zeker doppen over het hoofd zal zien en zwermen het onafwendbare gevolg zal zijn.

Bij het 'elite-volk' de ramen pas afkloppen als de geselecteerde jonge koninginnen in veiligheid zijn gebracht.