Een monster schelpen uit het Eemien van een grondboring bij Bergen (NH)

T. Meijer,   2007 (webtext)


Het duingebied bij Bergen is een wingebied voor drinkwater en om deze reden zijn hier veel grondboringen gemaakt (zgn luchtlift boorsysteem). Er is geboord tot een diepte van 75 à125 meter en uit elke boring werd van elke geboorde meter een grondmonster genomen. De grond bestaat uit zand, klei, soms met schelpen, grind en veen. Door van alle monsters de inhoud zorgvuldig te beschrijven achterhaalt men wat er op die plek aan aardlagen aanwezig is. Door dat van alle boringen te doen krijgt men een beeld hoe de ondergrond er uit ziet en welke lagen het meest geschikt zijn om het drinkwater uit op te pompen.

Evenals onder een groot deel van Noord Holland bevinden zich bij Bergen op enkele tientallen meters onder het oppervlak lagen die door de zee zijn afgezet in de warme periode voor de laatste ijstijd. De warme periode heet 'Eemien'.
De boringen gaan in veel gevallen door de lagen uit het Eemien heen. Vaak zijn deze lagen rijk aan schelpen die in de zee uit deze periode hier geleefd hebben. Uit één van deze boringen bespreek ik hier de zeeschelpenfauna uit een grondmonster van een willekeurige diepte. De plaats van de boring heb ik op het kaartje aangegeven.

Het grondmonster komt van 83-84 meter onder het maaiveld (In de geologie duiden we het oppervlak vaak aan als 'maaiveld').





De in het monster aanwezige fauna
De schelpen in het monster zien er heel mooi bewaard uit en zijn niet versleten. Op enkele schelpen zijn nog resten van de hoornige opperhuid aanwezig die bij slijtage als eerste verdwijnt. Veel schelpen hebben zelfs nog het oorspronkelijke kleurpatroon. Veel dunne schelpen zijn nog heel in het monster aanwezig: bij transport door stroming of golven worden die vaak gebroken en vergruisd. Daarnaast vormen de gevonden soorten een 'eenheid': de aanwezige soorten kunnen heel goed samen op dezelfde plek geleefd hebben en er zijn geen soorten aanwezig die door stroming aangevoerd zijn uit andere milieus.
Deze waarnemingen betekenen dat de schelpen niet getransporteerd zijn, dat sterke getijdenstromingen of golfbewegingen althans op dit moment op deze plek ontbraken. Er is vrijwel zeker met de oorspronkelijke leefgemeenschap niet veel gebeurd en met de bewaarde schelpen in het monster kunnen we iets te weten komen over het milieu van de zee op deze plaats.
In het grondmonster vond ik de volgende slakken en schelpen: Bittium reticulatum, Nassarius reticulatus, Epitonium clathrus, Peringia ulvae, Mytilus edulis, Ostrea edulis, Cerastoderma edule, Cerastoderma glaucum, Mysella bidentata, Spisula subtruncata, Gastrana fragilis en Corbula gibba. Verder waren resten aanwezig van verschillende soorten bryozoen (mosdiertjes), kalkkokerwormen, boorwormen, krabben, boorsponzen en zeeëgels. Het aantal soorten mollusken is voor een mariene fauna uit het Eemien niet echt veel, vaak bestaat een dergelijke fauna uit deze periode nl uit enkele tientallen soorten. Meestal gaat het dan echter om uit verschillende milieus samengespoelde soorten. Hier gaat het om een gemeenschap die geen 'vreemde' kostgangers telt.

De aangetroffen associatie wijst op een ondiepe zee met zeer rustig water. Waarschijnlijk is de plaats afgeschermd van open zee. De waterdiepte zal niet veel meer dan 10 meter bedragen hebben, waarschijnlijk was die minder. De getijdenzone kan ook niet ver weg geweest zijn.

Cerastoderma edule en het zoutgehalte van de zee
De schelpen van Cerastoderma edule zijn zeer goed geconserveerd, niet versleten en hebben nog het oorspronkelijke kleurpatroon. Op één exemplaar is een kolonie van een zeer tere Bryozoënsoort (mosdiertjes kolonie) aanwezig. Deze kolonie kan slechts op de schelp blijven zitten als de schelp vrij snel begraven is en niet meer getransporteerd. De Kokkelschelpen hebben daarom vrijwel zeker ter plaatse geleefd.
Van Cerastoderma edule is bekend dat het aantal ribben iets over het zoutgehalte zegt waarin het dier geleefd heeft (Eisma, 1965). Hoe meer ribben hoe hoger het zoutgehalte. Dit is onderzocht aan levende dieren uit de Zeeuwse wateren (Koulman & Wolff, 1977). We kunnen hiervan gebruik maken door bij fossiele Cerastoderma het aantal ribben te tellen. In het monster zaten 37 exemplaren die daarvoor geschikt waren. Het gemiddeld aantal ribben komt uit op 26 wat betekent dat het zeewater een (totaal) zoutgehalte van c. 36.5 heeft gehad. Tegenwoordig is dat voor de kust van Noord Holland ongeveer 29 . De zoutgehalten waarin de Bergen-fauna geleefd heeft was dus veel hoger dan die van de tegenwoordige Noordzee op deze plek maar ook in het Eemien was zij al aan de hoge kant. Vergelijkbaar hoge zoutgehalten uit deze periode kennen we alleen uit de Eem Vallei bij Amersfoort (Meijer in Cleveringa et al., 2000). Deze sterk verhoogde zoutgehalten zouden een bevestiging kunnen zijn van de afscherming van deze plaats van de open zee. In dergelijke beschutte gebieden treedt minder verversing van het water op met de open zee waardoor door verdamping het zoutgehalte iets kan oplopen. Dit effect is tegenwoordig ook in Nederland bekend van beschut zout water. Omdat voor het Eemien tijdens het klimaat optimum hogere gemiddelde temperaturen worden aangenomen dan wij tegenwoordig kennen, kan die verdamping tijdens het Eemien ook een groter effect gehad hebben.


LITERATUUR
Cleveringa, P., T. Meijer, R.J.W. van Leeuwen, H. de Wolf, R. Pouwer, T. Lissenberg & A.W. Burger, 2000. The Eemian stratotype locality at Amersfoort in the central Netherlands: a re-evaluation of old and new data. -- Geologie & Mijnbouw / Netherlands Journal of Geosciences, 79(2/3): 197-216.
Eisma, D., 1965. Shell-characteristics of Cardium edule L. as indicators of salinity. -- Netherlands Journal of Sea Research, 2: 493-540.
Koulman, J.G. & W.J. Wolff, 1977. The Mollusca of the estuarine region of the rivers Rhine, Meuse, and Scheldt in relation to the hydrography of the area. V. The Cardiidae. -- Basteria, 41: 21-32, 5 figs, 1 tab.