"De hel", zei Greg, toen we in een restaurant op de Southbank zaten, "De hel is een ruimte vol prachtig gedekte tafels met daarop de heerlijkste spijzen, maar waar de mensen hun armen niet kunnen buigen, zodat ze niets van al dat lekkers tot zich kunnen nemen." En hij deed het voor, dat van die machteloos gestrekte armen. "De hemel", vervolgde hij, "is precies hetzelfde. Behalve dat hier de mensen op het idee komen om elkaar te voeren..."

Met een glimlach gaf ik te kennen de subtiliteit van het geschetste beeld naar waarde te schatten. Juist zocht ik naar iets om terug te zeggen, toen een opstootje achter de rug van mijn gastheer de aandacht trok. Een enigszins haveloos uitziende man werd door twee potige obers onzacht het etablissement uitgewerkt. Meer nog dan aan zijn haakneus en zijn verwilderde blik herkende ik de ongelukkige aan de felgekleurde gettoblaster die hij als een kind voor zijn borst geklemd hield. Reeds twee keer eerder had ik hem de afgelopen week gezien. Dat ik hem nu voor de derde keer zag, mag in een stad als Melbourne een opmerkelijk toeval genoemd worden.

De eerste keer dat ik hem tegenkwam was in de lunchroom van het warenhuis Myer, waar ik na een vermoeiende speurtocht naar een geschikte zonnehoed een glas Earl Grey had besteld. Op mijn eerste volle dag in Melbourne was ik overweldigd door de luxe en rijkdom die ik in deze stad aantrof. Drie maanden lang had ik in Indonesië rondgezworven, waar de steden stonken en ik gewoon was te bivakkeren in hutjes waar 's nachts de kakkerlakken door de kieren naar binnen kropen. Op Sumatra was ik nog een paar dagen te gast geweest bij de Kubu, die mij bij aankomst onthaalden op een maaltijd van salamanders en ratten. En nu, nog verder van huis, was ik terechtgekomen in een stukje westerse beschaving waar, in vergelijking tot Nederland, de weelde in nog hogere stapels lag opgetast en waar het openbare leven een nog aangeharkter indruk maakte.

De man met de haakneus zat een paar tafeltjes verderop, met voor zich de gettoblaster. Het was een klein model, in rood, geel en blauw. Duidelijk bedoeld voor kinderen. Hij luisterde naar ABBA, the winner takes it all, onafgebroken het volume bijregelend. Ik werd ontroerd door zijn blik waarin blijdschap en angst om voorrang leken te strijden. Steeds bij het refrein had het eerste de overhand: herkenning! Daar tussenin keek hij onrustig om zich heen, slaag verwachtend. Plotseling, als door een adder gebeten stond hij op, om een paar tafeltjes verder weer plaats te nemen. Dit ritueel herhaalde zich een paar maal, tot er een ober naderde en hij ijlings de benen nam, flarden muziek over de hoofden van de bezoekers uitzaaiend.

De tweede keer zag ik hem op een halte in de buitenwijk Kew, niet ver van waar Greg woonde. Woedend zwaaide hij met zijn vuist naar de zich snel verwijderende tram waar ze hem zo-even hadden uitgegooid. Een beetje mank lopend, deed hij mij in zijn gehavende kleren aan Don Quichot denken. Maar waar de man van de Mancha met grote welsprekendheid zijn leed bezong, liet haakneus zijn gettoblaster het werk doen, de volumeknop zo ver opendraaiend dat de muziek rauw en zwaar vervormd klonk.

Na die keer op de Southbank zouden onze wegen elkaar nog voor een vierde maal kruisen. Het was op een van de laatste dagen van mijn verblijf in Melbourne. Ik was van plan te gaan lunchen in het Regent hotel. Het restaurant, dat op de vijfendertigste verdieping lag, bood volgens Greg een adembenemend uitzicht over de stad. Ik liep over Collins Street waar het druk was met winkelende mensen. Het liep tegen Kerstmis. In de etalages stonden sparrebomen bedekt met kunstsneeuw, terwijl buiten de zon hoog aan de hemel stond en slechts een zeebries voor wat verkoeling zorgde.

Een klein bordje bij de ingang van het hotel deelde mij mee dat het restaurant wegens werkzaamheden aan de gevel gesloten was. Ik keek omhoog en zag dat men met behulp van een hijskraan die aan het gebouw zelf bevestigd bleek te zijn, bezig was de grote spiegelruiten te vervangen. Ik besloot toch naar boven te gaan, omdat, zo had Greg mij verzekerd, ook de tegenover het restaurant gelegen toiletten beroemd waren om hun uitzicht.

De lift, die behalve allemaal kleine knopjes, één hele grote had voor de vijfendertigste, zoefde omhoog. Er waren geen andere mensen. Ik bevond mij in een cocon van rust, zo in schril contrast met de bedrijvigheid die ik gewaar werd toen ik uitstapte. Er werd geschreeuwd, een enkeling gilde. Ik liep naar waar een rood-wit-gestreept lint verdere doorgang verbood. Niemand keurde mij een blik waardig. Er werd heen en weer gerend en druk gegesticuleerd. Voor mij gaapte een gat waar het volgende raam vervangen ging worden. Maar niet de aanblik van dit gat, noch de koele zeebries die er door naar binnen waaide, zorgde voor de rilling die over mijn lichaam trok. Het kwam door de felgekleurde gettoblaster die zorgvuldig op het randje van de afgrond leek te zijn neergezet en die nu zweeg, of nee, erger nog, een weerzinwekkend lege ruis voortbracht...

Die avond schreef ik met gemengde gevoelens in mijn dagboek dat het hier weliswaar zomer is in de winter en de zon om de noord draait in plaats van om de zuid, maar dat hier, aan de onderkant van de aarde, de mensen niet op hun kop lopen en de dingen gewoon naar beneden vallen.




Zwaartekracht





















Theo de Haan schrijver Amsterdam