I

Eerst was er alleen het helse lawaai van blokkerende remmen. Toen, na de onvermijdelijke doffe dreun, vermengde dat zich met een snerpend geluid, veroorzaakt door de over de rails schurende rolstoel. Een geluid dat tijdens de remweg weliswaar van toonhoogte veranderde, maar in alle hevigheid bleef aanhouden tot het moment waarop de wagons volledig tot stilstand waren gekomen.

Midden tussen fel gekleurde bollenvelden zou de stoptrein naar Amsterdam minstens een uur vertraging op gaan lopen. De zon brandde op het dak. Nu er geen verkoelende lucht meer door de openstaande ramen naar binnen waaide, liep de temperatuur snel op. Maar geen van de passagiers, die vanuit hun coupés konden zien hoe brancardiers met rubberen handschoenen de ene na de andere plastic zak in een ziekenauto laadden, haalde het in zijn hoofd om over het ongemak te klagen.

Op die mooie nazomerdag had Tom besloten dat het genoeg was geweest, gekweld als hij was door het vooruitzicht dat hij met zijn verlamde lichaam nooit meer zou kunnen schaatsen, nooit meer een berg zou kunnen beklimmen en nooit meer een vrouw aan zijn lusten zou kunnen onderwerpen. Vooral dat laatste. Hij was het vernederende en ontnuchterende gemarchandeer met hoeren en hulpverleners beu. De geest mag dan tot veel in staat zijn, voor een gevoel van bevrediging is de hulp van het lichaam onontbeerlijk.

Enkele korte bewegingen van Tom's kin waren voldoende geweest om het elektrische invalidewagentje voor de aanstormende trein te manoeuvreren.


II

Walter probeerde het zich voor te stellen. Een salto, een dubbele salto, een schroef. Zo moeilijk kon dat toch allemaal niet wezen? Hij streek zijn handdoek recht en draaide zich op zijn andere zij. Achter hem werd luid joelend van de hoge duikplank gedoken. De meisjes zaten er met hun rug naar toe. Zij keurden de duikers geen blik waardig. Rustig kwebbelden zij door. Alleen Elvira onttrok zich soms aan het gesprek om bewonderend naar hun verrichtingen te kijken. Dat maakte Walter onrustig. Sinds ze in het zwembad waren had hij, zonder resultaat, geprobeerd haar aandacht te trekken. Het stelde hem maar weinig gerust dat ook de andere jongens tot nu toe geen vat op haar hadden weten te krijgen. Met achteloos gemak had zij hen bij iedere poging tot toenadering op afstand gehouden. Hij schrok dan ook een beetje toen zij ineens het woord tot hèm richtte.

"Tuurlijk wel", antwoordde hij op haar vraag of hij soms niet van de hoge durfde. Geïrriteerd bijna. Wat dacht ze wel?

"Zien!", klonk daarop haar bevel. Walter ging rechtop zitten en keek haar aan. Elvira beantwoordde zijn blik met een enigszins spottende, maar vooral uitdagende glimlach. Uitdagend was ook de manier waarop zij haar hand door haar lange haren haalde, het rinkelende geluid van haar armbanden, het geregen vetertje dat over haar borsten spande. Godverdomme, dacht Walter en hij stond op.

Het zwembad van Voorhout had een duiktoren met planken op twee, vijf, zeven en tien meter. De oorspronkelijke toren, die slechts drie niveaus had, was opgetrokken uit vreugdeloos grijs beton. Voor de tien meter plank had men daar onlangs een stalen constructie op aangebracht. Het geheel was er niet bepaald fraaier op geworden, maar had er wel iets ontzagwekkends door gekregen.

Toen Walter aan de voet van de duiktoren stond, daar waar de wenteltrap begon, moest hij aan Tom denken. Natuurlijk moest hij aan Tom denken; zijn acht jaar oudere broer die door een duik in ondiep water volledig verlamd was geraakt. Walter was negen toen het gebeurde. Hij had sindsdien nooit meer gedoken. Eigenlijk had hij sindsdien zwemmen en zwembaden zoveel mogelijk gemeden. Het was dat hij Elvira hier vandaag kon ontmoeten...

Hij liet een paar jongetjes voordringen die elkaar achterna zaten. Ze stoven de twee meter plank op. Geduw, gegil. Stenen treden. Even was de buitenwereld onzichtbaar. Zou hij duiken of springen? Zou Elvira kijken of zou zij het verslag van de andere jongens afwachten? Hij klom verder. Bij de aanloop van de vijf meter plank stond Bas met een meisje te praten dat Walter niet kende.

"Ha die Walter. Jezus, heb je Remco net zien springen? Gaaf man, bijna plat op z'n rug." Het meisje, erg jong nog, giechelde achter haar hand.

En plotseling, nog voor hij bij de zeven meter plank was aangekomen, kwamen de beelden weer naar boven. Haarscherp stonden hem de zandzakjes voor ogen die ze aan Tom's slapen hadden bevestigd om er voor te zorgen dat zijn hoofd recht bleef liggen, de doldrieste aanloop, de spiegel boven zijn bed die het hem mogelijk maakte het bezoek aan zijn voeteneind te zien, de zweefduik, de reuzenrad?achtige constructie om hem van zijn rug op zijn buik te draaien, de plons, de rietjes die op verschillende plaatsen konden buigen, de meisjes. De meisjes!

Steen ging over in staal. Groot was hun verslagenheid toen, na de opluchting over het feit dat Tom aan de verdrinkingsdood was ontsnapt, bleek dat hij geen van zijn ledematen meer kon bewegen. Dwarslaesie. Zijn moeder had nog een tijdje gedacht dat het plat Amsterdams was, zoiets als koolmeesie. Geroerd herinnerde Walter zich hoe zij hem had proberen uit te leggen wat voor Tom de gevolgen van 'het dwarsleesje' zouden zijn.

Ontroering maakte plaats voor een wee gevoel van angst. De beschutting van de wenteltrap was verdwenen. Hij was boven. Rondom hem was ruimte. Lege ruimte en wind. Walter hield zich vast aan het hekwerk. Springen was uitgesloten. Kinderwerk. Er moest gedoken worden. Maar hoe? Hij zou op zijn rug landen, zijn nek breken. Pas na enige tijd durfde hij naar beneden te kijken. Daar, niet ver van de rand van het zwembad, ontwaarde hij Elvira. Zelfs vanaf deze afstand onderscheidde zij zich van de andere meisjes. Zoals ze daar zat, steunend op haar armen, één been opgetrokken, haar hoofd een beetje naar achteren gekanteld... Ze keek naar hem. Hij moèst duiken. Want hoe graag zou hij niet voor haar mogen neerknielen, dat vetertje losknopen, haar badpak met beide handen afstropen en zijn gezicht tussen haar borsten begraven. Hij voelde een erectie opkomen. Lust. Een lust die sterker was dan angst, sterker dan elke andere emotie, sterker ook dan de ratio. Het bracht hem in een toestand die een Romeinse keizer moest hebben ervaren vlak voordat hij zich de macht liet ontfutselen door een verleidelijke gifmengster, een toestand die een koene ridder er toe moest hebben gebracht om onder het toeziend oog van een jonkvrouw zijn middenrif met een lans te laten doorboren. Het was zijn lust die hem willoos maakte. Willoos, hulpeloos en machteloos, gelijk een presidentskandidaat die tijdens een slippertje met een platinablonde secretaresse een carrière in het Witte Huis verspeelt.

Walter keek om zich heen. Links lagen de duinen met daarachter de zee, rechts de bollenvelden, te midden waarvan een trein stilstond (vreemd, dacht hij nog, die stilstaande trein). Nog één keer ademde hij het uitzicht in. Toen rende hij naar voren.




De duiktoren





















Theo de Haan schrijver Amsterdam