Op het ogenblik was het stil in de kamer, hoewel het bij moeder nog na trilde in haar oren. Wat waren ze vanavond weer druk geweest, de kinderen. Vast harde wind op komst, had ze gedacht. Maar nu sliepen ze gelukkig alle, tenminste dat dacht ze. Nu kon ze zelf even rustig naaien, want al was het dan stil, er lag werk genoeg voor haar op de stoel. Ze had gewassen en het had heerlijk gedroogd en nu moest ze alles op stuk nakijken. Even keek ze op de klok en zag dat het nu kwart voor negen was. Ze schrok ervan dat het al zo laat was in de avond. Als het kon zou ze graag klaar zijn geweest voor haar man thuis kwam uit de fabriek. Deze werkte tot tien uur in een fabriek, vijf kilometer uit de buurt. Als hij geen pech had met de fiets, zou hij om half elf thuis kunnen zijn.
Neeltje zuchtte en nam een oude broek van één van de jongens. Het was de broek van haar jongste zoon. Nou, veel was er niet van de oude broek zelf over, want hij zat al vol met lappen van andere stof. Nee ze hadden het niet breedt, dat was aan dit ene kledingstuk wel te zien. Maar toch ondanks dit, zou zij nooit klagen tegen Gerrit, haar man. Deze had toch al zorg genoeg voor alles om hem heen.Altijd was hij in de weer. Hij gunde zichzelf geen rust als hij thuis was, steeds was hij ergens mee bezig. Dan was er een stukkende klomp, dan moest hij leer onder de klompen slaan. Zodat ze niet te hard zouden slijten. En als het leer er onder zat, schoppen en voetballen totdat het leer er weer spoedig onderuit ging. Och, de jongens hadden geen notie van de tijd, waarin de ouders hun zorgen doorbrachten. Gelaten pakte Neeltje de schaar om het te verstellen stuk eruit te knippen en er weer een ander stuk in te zettten.
Als ze nu nog maar iets had wat er een beetje bijpaste, want de kritiek werd haar dan niet bespaard.
“De driftkop” dacht ze, altijd was hij het, die dacht dat moeder met die paar centen die vader verdiende, alles kon kopen wat ze maar wilden. Het deed haar soms zeer, als haar jongste zo fel iets kon zeggen. Ja, Dirk was wel wat cru in die dagen, maar hij was nog zo jong. Ze hoorde hem nu al zeggen in gedachten wat hij morgen uit zou stoten, vol verontwaardiging. “Die broek trek ik niet an, ze lachen me allemaal uit. Ik doe hem niet an, ik wil niet met die rotbroek naar school”. Neeltje zuchtte, hoe graag had ze ook niet wat anders aan de kinderen willen geven om aan te trekken.
Maar ja, de middelen waren er nu eenmaal niet, en zo zou het voorlopig wel blijven, tot de jongens wat mee konden verdienen.
Twee waren er getrouwd en twee waren er uit werken bij de boer in de omtrek. Ook deze waren dus geen opbrengers voor haar gezin. De jongens waren reeds jong verplicht om te gaan, en omdat de boer nogal afgelegen woonde, bleven ze voor de dag en de nacht dienen. Maar als het even mogelijk was, dan kwamen ze thuis en hadden altijd honger. Zo gauw er maar één over de drempel stapte en haar begroet had, waren zijn woorden: Is er nog wat te eten, moeder? Die rotboer geeft me niet halfgenoeg te eten. Zelf eet hij zijn dikke buik vol, maar als ik om nog wat meer vraag, dan grauwt hij, dat er toch al geld bij mij moet. Een traan komt in de ogen van moeder Neeltje als ze er nog aan denkt. Maar hoe moet zij tegen haar zin in, de jongens weer terugsturen naar de boer?
Want zij kan ze ook niet te eten geven, het is toch al erg om wat er nu nog is, aan het eten te houden.
Maar nooit zou ze haar jongens weg sturen met honger, dan at ze zelf liever niets. En als haar man dan al opmerkte, dat ze niets at, zei ze meestal: “ Ik heb net een lestje opgegeten, ik kreeg al honger”.
Maar ze ging verder met het verstelwerk, want de klok sloeg al half tien. Wacht ze zou eerst even de deuren openzetten van de alkoof. Anders werd het te benauwd voor de kinderen in die bedstee.
Want alles sliep, at en dronk in de huiskamer. Zelf lag ze met haar man in de bedstee bij het raam, en in de andere hoek was de bedstee van de kinderen. Deze was nog in tweeën gedeeld in een boven en een onderkooi. Daarin lagen de jongens en boven lag haar dochtertje Maartje. Met schrik bedacht ze, wat dat zou moeten, als de twee grote jongens bij de boer vandaan zouden gaan, om ook op de fabriek te werken. Dan kreeg ze er nog twee slapers bij in deze ruimte. En dat zou wel spoedig gebeuren, daar de jongens er de brui aangaven, om nog langer voor die rotboeren te blijven werken. Aan de andere kant leek haar dit toch ook wel een oplossing voor haar jongens. Dan zouden ze tenminste wel geen weelde, maar ook geen honger meer behoeven te lijden. Daar zou zij wel voor zorgen en mischien kenden de jongens vader met de tuin wat helpen.
Want haar man had een flinke hap grond achter het huis omgespit en vol aardappels en groenten gezet. En nu hadden ze in 't veld nog een stuk tuin gehuurd van de kerk. Het zogenamde 'Kerkeland”, het lag midden in 't veld. Wel moest hij een schuitje lenen als hij erheen moest om te werken. Maar dat was daar in hun buurt geen bezwaar. De vorige keer hadden de eenden alle jonge plantjes van de slabonen afgevreten. Tsjonge, jonge wat was Gerrit kwaad geweest, de volgende avond was hij met één van de oudste op de loer gaan liggen, met de bedoeling om de eenden weg te knuppelen die op zijn grond mochten verschijnen. Maar of de eendenboer het wist, is niet bekend, maar hij liet zijn eenden niet los die avond. Dat zat hem wel in het dorpsgepraat. Want Jan wist alles van Piet en Klaas alles van Willem. Ieder kent ieder en er kon niets gebeuren of het dorp wist ervan, zelfs als je visite zou krijgen.
Hé, hé 'dat is klaar, zucht Neeltje, “beter een stuk dan een gat denkt ze”. Want een gat zien ze gauw in het dorp en dan ga je maar over de tong, dat is hier zo klaar. Armoe is geen schande, maar stukkende kleren wel. Nou, zij zou haar kinderen niet met stukkende kleren de deur uit sturen.
Daar sloeg de klok weer en Neeltje, hoewel ze wist hoe laat, telde toch automatisch de slagen mee. Tien uur wat vliegt de tijd toch snel, waren haar gedachten en ze schoot maar slecht op vanavond.Ze had zoveel willen doen, alles was nog lang niet heel. Als Maartje maar wat groter en ouder was, dan zou het voor haar veel verlichten, bedacht zij. Maar die was nu nog pas elf jaar, hoewel zij al fijn de sokken en kousen kan helpen bijhouden met stoppen. Maar ach, het kind wilde zo graag even buiten spelen na schooltijd. Dus kan Neeltje het niet over haar hart verkrijgen, om haar ook dit nog te ontzeggen. De kinderen werden al zo weinig bedeeld. Moeizaam kwam Neeltje overeind, ze moest nu zorgen voor een bakje koffie voor haar man, want die zou wel wat lusten na zo'n lange en gespannen dag.
Neeltje keek door het raam naar buiten en zag dat het droog was. Dat viel al weer mee voor hem, als hij op de fiets naar huis kwam. Want het was van deze week al vier keer voorgekomen dat hij doornat thuis was gekomen door de stromende regen. En dan was het pont dat hem overvaren moest net weg gevaren, zodat hij wel een kwartier later was thuisgekomen als anders. Toen had hij gemopperd over zijn lantaarn, hij had een carbidlantaarn en die had hij, voor hij weg ging van schone vulling voorzien en van water. Op de fabriek heeft de één of ander die lollig wou zijn, de waterkraan opengedraaid, zo was alle carbid verzopen en kon hij geen licht geven op de fiets. De andere ploeg was al overgezet door de pontbaas, maar omdat hij zonder licht reed, zag men hem niet aankomen. “Dat”, zei hij, zal me niet weer gebeuren, ik doe er geen water meer in. Dan kan men, ook al draaien ze de kraan open, geen aardigheidjes meer uithalen. Waarom, zucht Neeltje, waarom moet men nu elkander zo plagen, ze kunnen voor elkaar toch ook veel verdraagzamer zijn.
Snel had ze de koffie klaargemaakt om, wanneer haar man thuis kwam, samen met hem nog een lekker kopje koffie te drinken. Daar hoorde ze hem al in de bijschuur zijn fiets neerzetten. Snel stak ze gauw het petroleumlampje aan in het achtereind, dan kon hij wat zien bij het binnenkomen. En dan stond haar man voor haar en trok zijn jas uit. “ Zo vrouw”, hier ben ik weer, zei hij, en gaf haar een zoen. Het was me weer wat mooi's op de fabriek vandaag. Angstig keek Neeltje hem aan en vroeg: is er dan een ongeluk gebeurd bij jullie? Nee, dat niet zij hij, maar ze willen meer geld en als het niet wordt gegeven, gaan we staken. Staken?, sprak Neeltje met angst in haar stem.
Maar waarom willen ze dan staken, er is toch de vorige maal door de directie afgeroepen, dat zij die staken gaan, nooit de fabriek meer in zullen komen? Dat is zo, zei hij, maar geef mij nou eerst maar een bakje troost vrouw. Neeltje staarde somber voor zich heen en zuchte diep, toen ze even later aan de koffie zaten. Wat zou er nu weer boven haar hoofd hangen.
Dit verhaal is overgenomen door Maartje Daenen-Kan, uit het schrijfboek van haar broer, Dirk Kan. Hij beschreef in dit vehaal enige momenten uit het gezinsleven van Neeltje Kan-Eckhart en Gerrit Kan Het speelt zich af rond 1920 in Marken-Binnen.
|