HomeHistorieBanda-eilanden Fotoalbum DocumentenStamboomLinksPersoonlijk Contact

Tante Dé is niet meer


Een van mijn Indische tantes waar ik erg gesteld op was, was tante Dé Berg, de zuster van mijn opa Gerrit van den Broeke. Zij is in 1990 overleden op 95 jarige leeftijd. Zij was gehuwd geweest met Joop Berg en al lang weduwe.

Tante Dé woonde in Den Haag in een benedenwoning in de Wormerveerstraat, niet ver van mijn Indische opa en oma die in de Maarsenbergenstraat woonden. Zowel zij als mijn Indische opa en oma waren in de jaren vijftig vanuit Indië in Den Haag beland. Tante Dé had tot die tijd met haar man Joop Berg en hun zoon Willie in Batavia(nu Djakarta) gewoond.Haar man was al lang overleden en haar zoon Willie was geëmigreerd naar Amerika. Als kleine jongen van een jaar of acht ontmoette ik haar voor het eerst in Den Haag, waar ik met mijn ouders en zus Anneke in het deftige Statenkwartier woonde.

Tante Dé bleek een gezellige, wat mollige Indische dame. Goed verzorgd en altijd vol verhalen! Die verhalen vertelde ze zeer uitgebreid en dusdanig indringend dat ik als jongen altijd aan haar lippen hing en ik in mijn kinderfantasie alles precies voor me zag wat ze me vertelde. Ze vertelde over haar man, die 'doeahhh', een tijger uit de boom schoot in de achtertuin van hun ruime huis in Batavia. Over haar jeugdjaren in een Katholiek meisjesinternaat 'bij de nonnen' waar zij moest baden in een ruim witte jurk die over de badteil ging zodat zij hun eigen lichaam niet konden zien(dat was onkuis !!). Over de oorlogsjaren en bersiaptijd. Over de vele familie-intriges bij de familie Van den Broeke. Over de vele minnaars die rondom huize van den Broeke in Djombang en later in Surabaja slopen om een glimp op te vangen van de mooie dochters van mijn opa en oma. Prachtige verhalen. Of alles precies naar waarheid verteld werd donderde niet, ik genoot van wat zij vertelde.

Banda
Tante Dé werd, net als mijn opa Gerrit van den Broeke, geboren op het eiland Banda-Neira, onderdeel van de Banda-eilanden. Al vanaf 1621 waren de eerste Van den Broeke's op Banda beland als perkeniers. (een perkenier is een beheerder van een nootmuskaatperk/plantage op Banda. Dit perkstelsel was indertijd door J.P. Coen ingesteld)
Zowel mijn opa als tante Dé en de andere zussen van mijn opa konden vol geestdrift vertellen over hun fantastische jeugd op Banda. Een jeugd zonder problemen in een paradijselijk eilandengebied.

Driftkop
Vroeger was tante Dé, die eigenlijk Henriëtte heette, op Java onderwijzeres geweest.
Zij was nogal een driftkop. Als ze ruzie kreeg met haar man Joop, kon 't gebeuren dat zij een bos sleutels naar zijn hoofd gooide of dat zij hem met de paraplu sloeg. Ze kon dan razen en tieren als het haar allemaal niet zinde en die Joop liet dat alles maar amechtig over zich heen komen. Toen zij een oude dame werd, bleef dat temperament nog steeds aanwezig. Als bij een vulkaan die elk moment opnieuw uit kan barsten.

Ik herinner me hoe zij op oudere leeftijd, toen zij al in Den Haag woonde, tekeer ging tegen een meisje van de Thuiszorg die zonder te vragen, bij aankomst gelijk de stofzuiger greep en zo haar eigen plan trok om het huisje van tante Dé schoon te maken. "Zeg, jij" zei tante dan, "kom jij eens hier. Heeft tante jou gevraagd het huis te stofzuigen?" "Ik bepaal wat jij hier doet, niet jij zelf". Zo'n thuiszorgmeisje was dan geheel van slag. Zo'n geëmancipeerde oudere dame kwam je niet veel tegen!

Den Haag
Toen mijn eigen ouders en mijn Indische oma en opa begin jaren tachtig overleden waren, had ik altijd veel behoefte haar op te zoeken omdat zij, tezamen met de broer van mijn vader (Guus van den Broeke), nog sterk het Indische element van onze familie vertegenwoordigde en ik dat Indische element graag koester, ook al ben ik zelf niet in Indiƫ geboren.
Als ik haar opzocht in haar kleine woning in de Wormerveerstraat in Den Haag trof ik haar altijd aan op pantoffels, schuifelend door haar huisje. Een grote staande klok dreunde af en toe een diepe slag en om mij heen keken houten beelden uit Indonesië mij van alle kanten aan. Schelpen, een schilderij met de Gunung Api (tante Dé was geboren op Banda) aan de muur en de bekende doeken en snuisterijen die in elk Indische huis zijn te vinden. Bovendien die specifieke geur in huis van de regelmatige Indische maaltijden die de lucht bezwangerde met kruidenluchtjes. Net als in het huis van mijn opa en oma. Ook uiteraard de toilet met flessen water ernaast en een door de tijd verbleekt vergezichtje ergens uit Oost-Java aan de muur. Allemaal stille getuigen van een Indisch huis in Nederland.
Tante zat op een grote stoel, met aan beide armleuningen een plastic zak, waarin haar bril, zakdoekje en andere directe benodigdheden zaten. Naast de stoel op een klein krukje de telefoon. Achter haar de haard en tegenover haar de tv. Die verschillende ornamenten vormden het kleine territorium waarin zij dag-in dag-uit leefde.

Vanuit die stoel regeerde zij en gaf vriendelijk/diplomatiek haar orders die leken op aantrekkelijke aanbiedingen: "Zeg Rick, ik denk dat jij best trek hebt een portie saté babi". Ik natuurlijk: "o,zeker, tante, lijkt me heerlijk." Tante Dé: "a jo, dan jong, wil jij even halen, drie straten verder is een toko waar je dat kunt kopen, tante zal je geld geven." Of zo van "zeg Rick, jij lust vast wel koffie, is 't niet?, Moet je zelf even zetten jong."

Ach ik vond het ook wel een soort boerenslimheid van haar om zich op die wijze het leven wat aangenaam te maken. Wat is er niet lekkerder in het leven, dan je zelf een beetje door anderen te laten verwennen. Zeker als je tachtig of negentig jaar bent heb je toch wel recht op wat verwennerij. Bovendien is dat ook nog een beetje 'adat', dat je als jongeling zo de ouderen wat in het zonnetje zet.

Ze had groot gelijk.

Standsgevoel
Komisch vond ik altijd haar gevoel voor 'standing' waar zij erg aan hechte.
Een goede opleiding, het ver geschopt hebben, dat telde in het leven en daarnaar beoordeelde ze ook de aanstaande bruiden en bruidegommen van de velen uit de tweede Indische generatie uit onze familie. Bovendien moest iedereen er vooral ook knap uitzien, goed gekleed zijn, goede manieren hebben en charmant zijn. Voldeed je niet aan die norm dan viel onherroepelijk de hakbijl: kassian, niksnut, hopeloos geval. Eigen schuld dikke bult.
Ik herinner me dat zij een Rijnreisje maakte met andere bejaarden en mij na afloop vertelde. "Adoeh Rick, tante heeft daar zo´n knappe man ontmoet. Met baard en pijp. Heel interessant. Ik praat met hem en vraag hem naar wat hij zoal heeft gedaan. En, adoeh, hij vertelt mij (hier keek zij zéér verbaasd) dat hij sláger was geweest. Nou ja."
Ik zeg: "wat bedoelt u?". Al vermoedde ik gelijk al dat ze vond dat het beroep van slager veel te min voor haar was.
"Nou ja" zegt ze. "Begrijp je dat dan niet, sláger, sláger, dat pást toch niet bij tante!!"
Ik zeg: "dat is anders toch een heel eerbaar beroep tante". Stel nou eens dat er geen slagers waren, dan kon u ook niet van die lekkere saté babi eten".
Ze keek me aan met zo'n blik van 'ach dat jij dát dan niet begrijpt'. Inwendig moest ik natuurlijk ontzettend lachen, maar ik speelde de vermoorde onschuld. Op een ander moment zei ze: "zeg Rick, jij bent beleidsambtenaar bij de gemeente. Mooi is dat. Maar hoeveel modaal verdien jij eigenlijk? En wanneer word jij dan burgemeester?" Het bleef voor haar belangrijk in te schatten of ook ik wel 'een heer van stand was', om met Ollie B.Bommel te spreken. Want mocht dat niet het geval zijn, dan kreeg ook ik bij haar dat duwtje naar de glijbaan die uitmondde in die poel van stumpers die het allemaal niet 'gemaakt' hadden. Haar precies uitleggen wat ik verdiende leek me een overschrijding van de privacygrenzen en haar uitleggen dat je van beleidsambtenaar in de eigen gemeente helemaal geen burgemeester kán worden leek me een te ingewikkeld verhaal. Kortom op zo'n vraag kon ik alleen maar wat geruststellend antwoorden dat het bij mij wel allemaal goed zat. Maar aan die pientere oogjes van haar zag ik dan onmiddellijk dat die reactie voor haar toch onbevredigend was. Zij wilde gewoon, zoals bij alles, het naadje van de kous weten.

Indische jongens moesten volgens tante Dé vooral mooie Hollandse blanke meisjes trouwen, want die Indische meisjes die waren te sloom voor de huishouding. Iets wat mij altijd erg verbaasde omdat het toch een rare verloochening van de eigen afkomst is om zo aan te dringen op een 'spectraalverschuiving' van bruin naar wit. Zij was toch bovendien ook op en top Indisch. Maar reeksen andere Indische tantes hadden dezelfde opstelling. Enerzijds koesteren van de Indische jeugd en komaf, maar wat de toekomst betreft: vooral huwen met Hollanders, dat leek meer garantie te verschaffen voor een goede toekomst dan een huwelijk tussen Indo's.

In de familiekring overleed er uiteraard af en toe iemand, waarop ze dan tegen mij zei: weet je, "Broer is dood, maar adoeh", kwam er gelijk achteraan met grote verbazing, "hij heeft mij niets nagelaten". En dan werd Broer onmiddellijk in het drukbezochte verdomhoekje geplaatst waar al zovelen voor hem door tante Dé naar gedirigeerd waren. Het was er bar druk! Broer had haar niets nagelaten, dus voor Broer geen eer. Ze was daar tamelijk rigide in.
Dat ik zelf wel in de gratie was bij tante Dé, was iets wat mij wel eens bezig hield. Waar zat dat eigenlijk in? Het alles met mijn vader te maken. Afgezien van het feit dat hij marineofficier was geweest en een hoge functie had gehad bij het Ministerie van Defensie in Den Haag, wat op zich al zeer veel indruk maakte op tante, wist ik dat zij altijd erg op hem gesteld was. Na zijn overlijden vertegenwoordigde ik, denk ik, iets van hem waar zij op gesteld was. "Adoeh, die stem van jou Rick, net je vader", zei ze vaak als ze me door de telefoon sprak.

Dementie
Op een gegeven moment viel het me op dat steeds als ik haar bezocht ze steeds langdurig sprak over problemen met de haard in haar kamer. Zeer uitgebreid werd uit de doeken gedaan dat het ding niet goed werkte, steeds afsloeg etc. Iets in de wijze waarop ze daarover sprak gaf mij het gevoel dat ze zelf niet meer geestelijk goed functioneerde. Ook sprak ze over een geest die in de kamer stond en haar belette de gang in te lopen. Die geest verscheen op willekeurige momenten.

Het ging niet goed met haar.
Niet lang daarna werd ze op een avond door de politie op straat heen en weer lopend aangetroffen in geheel verwarde toestand, waarna ze op doktersadvies opgenomen werd in een psychiatrische kliniek bij Loosduinen. Het was triest hoe ik haar daar aantrof. Paranoïde en vol wantrouwen ten opzichte van haar omgeving. Iedereen spande samen om haar het leven zuur te maken, was haar stelling. De politie, de doktoren, ze wilde haar allemaal gevangen zetten. De dementie had in alle hevigheid toegeslagen.

Afscheid
Niet lang daarna overleed zij en werd in Den Haag begraven.
Iemand las een gedicht van Willem Brandt, waarvan het laatste couplet aldus eindigt:

Eens op een najaarsdag in een klein land,
Terwijl een gure wind de ramen martelt,
dorgele blaadren ritselend om mijn huis,
zal ik stil opstaan uit mijn angst en pijn.
En als geruis dat door de veders van uw palmen fluistert
zal ik voor eeuwig anders bij u zijn

Tante Dé was een gelovige katholieke vrouw en met dat geloof is zij gestorven in de geest van die regels van dit gedicht. Toch wordt wel gezegd: een mens sterft twee keer. Pas na de tweede keer is hij echt gestorven. Je sterft als de geest het lichaam verlaat. Maar je sterft pas echt als niemand meer weet dat je bestaan hebt.

In die zin leeft zij bij mij, en anderen, nog steeds voort en denk ik nog steeds aan haar als die dierbare, eigenwijze oude tante, vol verhalen, héél Indisch en inmiddels een onmisbaar deel van mijn eigen verleden.

Rick van den Broeke.