| Home | Historie | Banda-eilanden | Fotoalbum | Documenten | Stamboom | Links | Persoonlijk | Contact |
![]()
Mijn Indische vader
(Geb.Madiun 1914 - Overleden Den Haag 1980)
Richard van den Broeke
Mijn vader werd in Oost-Java geboren in 1914 op de suikeronderneming Redjo Agung te Madiun. Mijn opa was daar administrateur. Het gezin telde twee zoons en drie dochters. In Malang behaalde mijn vader zijn Middelbare Schooldiploma en daarna vertrok hij naar Nederland om aan de HTS te Amsterdam electrotechniek en werktuigbouwkunde te gaan studeren.
In die studieperiode leerde hij mijn moeder Emmy Triesscheijn kennen. Zij was de dochter van zijn hospita. Nadat hij zijn diploma behaald had ging hij terug naar Indië en kreeg een functie bij het Proefstation voor de Suikerindustrie te Pasuruan. Een jaar later kwam mijn moeder over naar Indië. December 1939 trouwden zij in Soerabaja en gingen wonen aan de Herenweg te Pasuruan. Pasuruan ligt niet ver van Soerabaja.
Mijn zus Anneke werd oktober 1940 in Pasuruan geboren. Mijn Indische opa en oma -mijn opa was inmiddels gepensioneerd- woonden toen aan de Darmoboulevard in Soerabaja. De hele familie kwam daar veel bij elkaar. Ook de zus van mijn moeder was inmiddels met een Indische jongen getrouwd en belandde eveneens vanuit Amsterdam in Soerabaja. Met elkaar en de hele familie Van den Broeke hadden ze daar een hele goede tijd.Twee jaar later, in 1942, volgde de Japanse invasie in Indië.
Op 2 maart 1942, mijn vader was inmiddels Marineofficier, werd het Marine-Etablissement te Soerabaja door hem samen met andere marinemensen vernield en in brand gestoken om te voorkomen dat de Jappen de basis voor eigen doeleinden zouden benutten. Al het personeel van het Marine-etablissement kreeg de instructie per trein naar Tjilatjap te reizen om vandaaruit, via de haven, per KPM-schip Indië zo spoedig mogelijk te verlaten. Wie dit niet deed wachtte ongetwijfeld internering door de Jappen. Mijn vader heeft die periode in dagboekaantekeningen vastgelegd:
2 maart 1942 (laatste moment in Indië met het gezin voor hij hen vier jaar pas weer terug zou zien in Amsterdam):
"Je weet op zo'n moment niet wat er met je gebeurt. Ik droeg Anneke, zoals ik altijd gewend was haar te dragen en in die paar minuten zag ik- als door een kaleidoscoop- mijn huwelijk en de geboorte van Anneke, ons huis in Pasuruan waar Emmy en ik zo graag waren en wat ons zo lief was. Ik voelde niet meer dat ik stond of liep. Ik zat nauwelijks in de auto of deze reed weg en vanuit de verte zag ik een laatste glimp van Emmy die met Anneke op haar arm in de richting van ons huis liep. Wanneer zou ik mijn beide lievelingen weer terugzien?"Uiteindelijk voer hij 3 maart 1942 uit de haven van Tjilatjap weg met andere mensen van het Marine Etablissement Soerabaja op het KPM-schip 'MS Tawali' naar Colombo. Zie ook Marineblad maart 2007 Daar volgde de overstap op de 'Nieuw Amsterdam' en via veel omzwervingen, via Durban en Kaapstad, arriveerde hij twee maanden later in Engeland in Wolverhampton waar het kamp van de Prinses Irenebrigade was gevestigd. Tot het einde van de oorlog verbleef hij daar en heeft hij als marineofficier op Motortorpedobootjagers(MTB' s) op de Noordzee de Duitsers bestookt. De MTB's waarop hij voer waren ook betrokken bij D-Day. Hij zat als officier technische dienst bij het 9e MTB-flottielje, dat onder commando stond van Hans Larive. Toen dit flottielje in 1944 opgeheven werd kwam hij eerst bij de Mijnendienst in Harwich te werken en daarna bij de Mijnendienst van de Marine in IJmuiden.
In diezelfde tijd werden mijn moeder en zus Anneke in Japanse kampen op Java geïnterneerd. Zij verbleven achtereenvolgens in drie kampen: Malang, Solo (Surakarta) en Semarang (kamp Halmaheira). Na de bevrijding keerden mijn moeder en Anneke met andere familieleden met Engelse transportschepen, via Singapore, terug naar Nederland.
Mijn vader had de hele oorlog overleefd, hij ontving het Oorlogsherinneringskruis. Maar na de bevrijding, tijdens een motorrit van IJmuiden naar Amsterdam, botste hij tegen een Canadese jeep en brak zijn been op een dusdanig ongelukkige wijze dat hij daarna zijn hele leven, ondanks operaties en revalidatie, één stijf been hield en, als gevolg daarvan, als militair afgekeurd werd. Dat gebeurde eind 1949. Die afkeuring was voor hem mentaal heel moeilijk te verwerken.
Inmiddels was eind 1946 het gezin weer herenigd in het huis van mijn opa en oma van moeders kant te Amsterdam. Ruim vier jaar waren mijn moeder en vader door de oorlog van elkaar gescheiden geweest. Voor mijn zus Anneke was mijn vader een vreemde man waar zij aan moest wennen.
Mijn vader startte, na zijn afkeuring als militair, in 1950 als ambtenaar bij het Ministerie van Defensie in Den Haag. Ik werd geboren in Amsterdam in 1948 en één jaar later verhuisde het gezin naar het Statenkwartier in Den Haag. De foto is van 1949. Ik was toen én jaar oud!
Ons gezin kwam terecht in een groot herenhuis(Viviënstraat 39) waar op elke etage een marinegezin woonde. Het was behelpen in die tijd. Doordat mijn ouders hun huis met alle inboedel in Indië achter moesten laten, waren ze genoodzaakt het huis in te richten met gehuurde spullen van de Marine.
Den Haag was toen nog een rustige stad met weinig auto's. Veel mensen op de fiets en allerlei diensten die aan huis werden bezorgd. (bakker/olieman/groenteman/scharesliep/melkboer). Later gingen alle andere gezinnen uit het huis weg en woonden mijn ouders, Anneke en ik daar met ons vieren. Mijn ouders bleven er wonen tot eind jaren zeventig. Het Statenkwartier in Den Haag was en is een typische 'Couperus-wijk'. Veel mensen uit Indië woonden er en de wijk had iets stijlvols. Echt Haags!Als jongen vond ik mijn vader 'een man van de wereld'. Hij was knap en charmant en van alles op de hoogte, maar had ook wel iets autoritairs. Zijn militaire afkomst was daar waarschijnlijk debet aan. Ik herinner me dat hij voor de Marine regelmatig naar Londen moest, naar de Marineattachée daar. Hij kwam dan na zo'n weekje met veel cadeaus voor het hele gezin weer thuis. Voor mij een auto van Dinkey Toys of een nieuw plaatje van The Beatles, voor mijn zus een balletboek en voor mijn moeder 'Catbury's Roses Chocolat' en Yardley-parfum.
In de vijftiger jaren kwamen de andere familieleden uit Indië naar Nederland. Ik zag voor het eerst mijn Indische opa en oma medio 1952 en daarna allerlei ooms en tantes die gerepatrieerd waren. Velen vestigden zich in Den Haag. Vooral bij mijn Indische opa en oma kwam de familie veel bij elkaar. Altijd waren er lekkere Indische hapjes en verhalen over 'tempo doeloe'. Opa sprak graag over het leven op de suikeronderneming(en) op Java en over zijn jeugdjaren op de Banda-eilanden. Opa was een lange zachtmoedige man. Oma was een kleine knap, enigszins verlegen, vrouw met een wrong in haar zwarte haren en altijd een zakdoekje in haar hand. Lieve mensen, waar mijn vader zeer op was gesteld. Voor hun moet de overgang op oudere leeftijd van Indië naar Nederland heel moeilijk zijn geweest. Zie hielden ook tot op late leeftijd hun oude gewoonten uit IndiĆ«: zes uur opstaan en 's avond negen uur naar bed.
Mijn vader was een heel beschouwelijk mens. Hij hield ervan te discussiëren over tal van maatschappelijke of filosofische thema's. Hij hield van muziek en toneel en was religieus ingesteld. Op latere leeftijd trad hij toe tot de katholieke kerk. Inmiddels waren we wel in de roerige jaren zestig beland en was de generatiekloof groter dan ooit. Ik had in die tijd dan ook heel wat meningsverschillen met hem als 'angry youngman'. Naarmate ik ouder werd sleten die verschillen echter en kon ik het goed met hem vinden. Toch was er een duistere kant in hem, een kwetsbare kant die ik nooit helemaal kon doorgronden.
Binnen de Marine klom hij op tot Technisch Hoofdinspecteur van het Ministerie van Defensie en werd plv. hoofd van het Bureau Toegepaste Electronica (t.b.v. schepen en vliegtuigen van de Marine). Op basis van zijn diploma's en staat van dienst werd hij in 1961 als 'register-ingenieur' ingeschreven. Hij kreeg tweemaal een Koninklijke Onderscheiding(in 1958 Ridder in de Oranje Nassau en n 1974 Officier in Orde van Oranje Nassau). In de laatste fase van zijn werkend bestaan kreeg hij een hartinfarct en eenmaal een maagbloeding. Twee jaar na zijn pensionering, in 1980, overleed hij na een (tweede) zware hartaanval. Hij werd helaas niet oud, slechts 66 jaar. Twee maanden later werd mijn oudste zoon Bas van den Broeke geboren. Mijn vader heeft de komst van zijn eerste kleinkind helaas niet mee kunnen maken.Mijn vader is voor mij nog steeds een belangrijke factor in mijn bestaan. Ik denk veel aan hem en merk dat met mijn eigen ouder worden, er steeds meer situaties zijn waarbij ik iets zeg, tegen mijn vrouw of mijn twee zoons, en bedenk dat mijn vader dat vroeger net zo zei. In het heden is er nog steeds die 'echo van het verleden' . Hij is nog steeds 'aanwezig'. Op mijn werkkamer getuigen zijn vele dagboeken en schriften van zijn gedachtegoed, van zijn leven en van onze familiehistorie. Zonder dat ik dat vroeger wist, blijkt uit dat nagelaten materiaal dat hij in de laatste jaren van zijn leven veel gespeurd heeft naar gegevens over de perkeniersperiode op Banda van onze familie. Vroeger sprak hij daar vrijwel nauwelijks over met ons. Hij deed dat speurwerk blijkbaar 'in stilte'. Het was wellicht zijn kwetsbare kant. Het huwelijk met mijn Hollandse moeder verdrong zijn Indische identiteit wat naar de achtergond. Hij sprak niet veel over zijn Indische wortels. Nu, zoveel jaren na zijn dood, denk ik vaak: wat hadden we over die geschiedenis van onze familie veel samen kunnen praten!
Opvallend aan hem was dat hij, ondanks zijn typisch Indische voorkomen, zich nauwelijks Indisch gedroeg. Als ik als jongen aan tafel het stemmetje van tante Lien imiteerde werd hij daar kwaad om. Hij had geen behoefte aan wat bij andere ooms en tantes zovaak bedreven werd: grappen maken in het petjoh. Daar moest hij niets van hebben. Vond dat wellicht denigrerend. Ik kon dat alleen verklaren door de discriminatie die in Marinekring wellicht aan de orde was ten opzichte van Indische militairen.
Wellicht had hij zich steeds meer 'Hollands gedrag' ontwikkeld, waarachter hij zijn Indisch-zijn maskeren kon. Ik kom meer Indische mensen tegen die hun Indisch-zijn naar de achtergrond lijken te schuiven en zich vooral zo Hollands mogelijk willen gedragen. Wellicht een vorm van 'overleven' in die zo Hollandse maatschappij! Mij viel ook op dat bij ooms en tantes die beiden Indisch waren een hele andere cultuur heerste dan bij ons thuis. In de inrichting van hun huizen waren er altijd van die typisch Indische schilderijen van Java of Bali en allerlei kleine frutsels die wij thuis eerder als 'kitsch' typeerden. Er was een soort vanzelfsprekende Indische cultuur die ik niet van thuis herkende.Er was ook een soort kloof tussen de Indische familie en de vriendenkring van mijn ouders. Dat was een heel ander slag mensen.Veel Hollandser georiënteerd. Het leek er ook op dat die vriendenkeuze meer te maken had met de andere oriëntatie van mijn ouders. Anders dan bij de Indische familieleden. Ik denk dat het feit dat mijn vader al zo jong naar Nederland kwam en hij eigenlijk, zowel bij het Proefstation in Pasuruan als bij de Marine, steeds in Nederlands gezelschap verkeerde van grote invloed is geweest op zijn identiteitsgevoel. Dat verklaart wellicht ook dat over zijn speurtocht naar de perkeniersafkomst van de Van den Broeke's (zie ook pagina:Banda-eilanden) geen mededelingen aan ons werden gedaan. Dat was een stuk van hemzelf, waar wellicht zelfs mijn moeder niets van wist.De vraag wie mijn overleden vader nu eigenlijk precies was én de vraag welke binding hij nu eigenlijk had met Indië had blijven mij bezig houden. Het feit dat onze familie vanaf 1621 in Indië verbleven heeft, moet voor hem zeker een belangrijk historisch gegeven geweest zijn. Bovendien koesterde hij tradities veel meer dan ik dat doe. Ook het feit dat zijn eigen vader, mijn opa, zo graag sprak over Banda en zijn jeugdjaren zal zeker aanleiding geweest zijn zich meer en meer te verdiepen in ons familieverleden in Indië. Hij overleed in 1980 en mijn moeder in 1983. Beiden liggen in Den Haag begraven. In 1992 zijn mijn zus Anneke en ik tezamen met mijn vrouw en de broer van mijn vader en zijn vrouw(Guus en Hetty van den Broeke) en wat andere Indische familieleden naar Indonesië gereisd. We hebben daar de plekken op Banda en Oost-Java bezocht waar onze familie heeft gewoond. Ook de twee woningen in Pasuruan, waar mijn ouders woonden, hebben wij van buiten en van binnen bekeken. Dat waren natuurlijk heel gedenkwaardige momenten. Dan realiseer je je maar al te goed hoezeer de oorlog ook in ons gezin heeft ingegrepen. Maar ik kijk terug op een gelukkige jeugd en koester de herinnering aan mijn beide ouders. De speurtocht van mijn vader naar zijn Indisch verleden zet ik nu zelf voort, via deze site en langs andere weg.
Rick van den Broeke