HomeHistorieBanda-eilanden Fotoalbum DocumentenStamboomLinksPersoonlijk Contact

Indische Levensverhalen deel 3:

Interview Guus Orth(1918)

'Het was een mooie tijd, mijn leven in Indië! '

Guus Orth is 87 jaar (geboren 13 januari 1918 te Bandung). Hij is weduwnaar en woont op een flat in Diemen.
Voor oudere lezers van de Moesson is hij een bekende figuur. Hij schreef diverse artikelen over zijn tijd in Indië, waar hij o.a. commissaris van politie op Java was.

Guus komt uit een gezin van negen kinderen.
Zijn Indische vader zat als adjudant bij het leger en werd later ambtenaar bij het Departement van Oorlog in Indië. De familie heeft in Bandung in twee verschillende huizen gewoond. Er waren veel bedienden in huis en Guus was vooral gesteld op de baboe. Er was altijd veel aanloop van familie en kennissen.

Jeugdjaren
Hij ging naar de lagere school en daarna naar de HBS in Bandung en had daar een fantastische tijd.

'Die jeugdjaren in Indië waren fantastisch. Als kind ging je elke dag knikkeren en vliegeren.
Aan die draden van de vliegers zaten stukjes glas en de kunst was om vliegerdraden van je vriendjes door te zagen met de draden van je eigen vlieger. Heel spannend! Ik speelde ook veel met inlandse jongens. Op jacht met de buks, op avontuur!
Ook deed ik veel sport. Atletiek, tennis.'

Zijn moeder was een echte handelsvrouw. Ze handelde in diamanten, goud en sieraden. Rond de jaren '30 stond de economie er slecht voor, maar dankzij moeder kon het gezin rondkomen en kon het schoolgeld en de schoolboeken voor de kinderen worden betaald. Guus verdiende na zijn HBS zelf wat door bijlessen te geven aan HBS'ers.

'Later in de HBS-tijd hebben we veel gefuifd. Ik ging altijd met een vast groepje vrienden en vriendinnen uit feesten. Mijn eerste vriendinnetje was Conny Herrebrugh'. (noot: de familie Herrebrugh is geparenteerd aan de fam. Van den Broeke uit Banda)

'Ik was wel de stoutste van het gezin en m'n vader kon soms streng zijn, maar dat was ook wel goed voor mij! Ik weet nog wel dat ik schoolziek was en de directeur van de HBS bij mijn vader informeerde of ik wel echt ziek was. Toen me vader me toen in de tuin zag spelen, kreeg ik natuurlijk klappen!'

BPM
'Na m'n HBS-tijd kreeg ik uiteindelijk werk bij de BPM. Ik werd assistent-veldgeoloog tegen een salaris van f 75,- per maand. De raffinaderij van de BPM zat in Noord-Sumatra', boven Medan.
Ik weet nog dat ik van Tandjung Priok naar Sumatra reisde met een KPM-schip. Zo'n ticket was duur, maar via mijn broer kon ik een goedkoper ticket regelen. Ik kreeg van de BPM huisvesting in een van de personeelswoningen die bij de raffinaderij hoorden.

In die tijd werkten bij de BPM drie categorieën personeel: Hollanders die naar Indië waren uitgezonden. Die kreeg het meeste loon en hadden recht op Europees verlof. Dan had je de Indo's die kregen ongeveer de helft van wat de Hollanders verdienden. Die hadden alleen recht op binnenlands verlof en tenslotte was er het Aziatisch personeel. Die hadden nauwelijks rechten en een karig loon. Terwijl we allemaal eigenlijk hetzelfde werk deden!
Ik vond dat onrechtvaardig. De uitgezonden Hollanders en de Indo's mochten van alle BPM-faciliteiten gebruik maken. (soos/tennisbanen/toko etc.) Dat gold niet voor het Aziatisch personeel.'

V.l.n.r.: Conny Herrebrugh, Guus Orth en vriendin

Huwelijk met Mary
'In Medan heb ik in 1936 mijn vrouw Mary Lans leren kennen. Het Indo-Europees Verbond organiseerde daar bijeenkomsten en dansavonden. Er was daar een bal masqué waar we elkaar voor het eerst hebben ontmoet. Het was liefde op het eerste gezicht. Na drie maanden zagen we elkaar weer en kregen we verkering. We hebben er veel gefuifd en samen tochten naar o.a. het Tobameer en Brastagi gemaakt. Mary was 6 maanden ouder dan ik.

Toen ik in 1936 18 jaar werd, moest ik eigenlijk in Militaire Dienst, maar de BPM wilde me graag houden en bedacht dat als ik op Nieuw-Guinea gestationeerd zou worden, ik niet in dienst hoefde. Ik heb daar op een laboratorium gewerkt en in de bossen. Maar uiteindelijk kwam ik toch in dienst bij het KNIL waar ik sergeant werd. In 1939 zwaaide ik af en april 1940 trouwden Mary en ik in Medan.

Omdat ik niet gelijk weer bij de BPM terecht kon, besloten Mary en ik op Java rond te reizen en daar de nodige familie te bezoeken. Na die verlofperiode startte ik december 1940 weer bij de BPM in Balikpapan. Maar ik bleef me ergeren aan de ongelijke behandeling van het Aziatisch personeel daar.

Uiteindelijk kreeg ik een oproep onder ogen voor een functie als hoofdinspecteur van Politie. De BPM was nogal geërgerd door die overstap en ik kreeg in m'n laatste periode bij de BPM werk in de bossen te doen, waardoor ik mijn vrouw weinig kon zien, terwijl beloofd was dat ik op het laboratorium kon werden. Voor een getrouwd man was dat laatste veel aantrekkelijker omdat je dan regelmatig naar huis kon.

In die laatste periode van langdurig onderzoek in de bossen(we deden daar grondonderzoek om olie op te sporen), werd ik zwaar ziek. Malaria Tropica. Ik moest vanuit de bossen per vliegtuig naar het hospitaal van Balikpapan(Kalimantan/Borneo) worden getransporteerd. Najaar 1941 startte ik bij de politie en ging ik eerst naar de Politieacademie te Sukabumi (op Java) om daar te worden opgeleid.'

Japanse bezetting
'Ondertussen waren in december de Jappen geland die Tarakan(Kalimantan/Borneo) bezet hielden en daarna Balakpapan bezetten. Iedereen daar werd door de Jap vermoord omdat men de raffinaderijen, die zij zo graag in handen wilden hebben, hadden vernield. Ik zat toen veilig op de Politieacademie in Sukabumi.'

'In 1942, toen Indië door de Jappen volledig bezet werd, hebben veel mensen 'm gesmeerd. De Jappen eisten toen van de Politie dat ze de boel rustig hielden. Ik weet nog goed dat er een controleur van het Binnenlands Bestuur was, een zekere Jongbloed die niet wilde meewerken met de Jap om te regelen dat de Nederlandse en Indische vrouwen zouden worden geïnterneerd. Hij werd in koele bloede vermoord en zijn lijk lag demonstratief lang op de weg, als teken voor ieder ander dat dit het lot was als men niet men de Jappen samenwerkte. Mijn vrouw en ik zijn toen ingetrokken bij mijn schoonzus die in Depok woonde. Tijdens de bezettingstijd moest je van de Jap een identiteitskaart bij je draqen. Een pendafteran. De mannen moesten daarvoor f 150,- betalen en de vrouwen f 80,-. Maar ik had het geld niet om zo'n ding te betalen. Twee maal ben ik door het oog van de naald gekropen toen de Jap me aanhield op straat voor papiercontrole. Ik had een geleende pendafteran en had wat gerommeld met de foto. Ze stonken er steeds weer in, maar ik kneep 'm natuurlijk behoorlijk, uit angst dat ze zouden ontdekken dat 't niet mijn eigen identiteitskaart was!

Met mijn vrouw ben ik toen gaan wonen in het huis van mijn ouders in Bandung. Daar woonde ook de vrouw van mijn oudste broer met drie kinderen. Hij zelf was krijgsgevangen genomen en zat in Japan in een kamp. Ook zat mijn jongere zus die getrouwde was woonde en daar en ook nog twee ongetrouwde zussen. Mijn vader was ook gevangen gezet. In die periode (mei 1942) werd Paul, onze oudste zoon geboren.

In de buurt van het huis van mijn ouders in Bandung woonden vooral Indo's en Ambonezen. Er waren vaak razzia's. We moesten ons goed schuil houden als dat gebeurde. Op een gegeven moment kreeg ik via een vriend de kans om te werken in een textielfabriek. Zo scharrelden we wat inkomen bij elkaar. Mijn moeder kon erg goed koken en leverde per rantang eten. Ze kon erg goed lupis(koek) maken. Daar hadden we dan ook wat inkomsten van. Zo konden we ons redden.'

Mary(links staand) en haar 2 zusters

Korpschef Politie
'Maar uiteindelijk ben ik toch ook door de Jap geïnterneerd. Na de oorlog kwam ik terug bij de politie op Java en werd ik korpschef van Garoet, Bandung en Krawang in de periode 1947 tot 1949. Na de bersiaptijd, en de politionele acties die toen volgden, ben ik in 1949 naar Nederland gegaan met mijn vrouw en onze zoon Paul. (een tweede zoon die tijdens de oorlog geboren werd, overleed in 1947 als gevolg van een auto-ongeluk)

In 1951 kon ik via de KPM uitgezonden worden naar Djakarta. Ik ging daar eerst alleen naar toe, later volgde mijn gezin. Tot 1955 zijn we daar gebleven. Ik werkte op het hoofdkantoor van de KPM en regelde administratie en mutaties van het nautisch varend personeel op 20 coasters van de KPM. Mijn directe chef was de heer Jungschläger, die de scepter zwaaide over de hele Nautische Dienst. Ik bleef daar tot 1955 en we gingen toen met verlof naar Nederland. In 1956 zijn we teruggegaan en bleef ik daar werken tot maart 1958. Mijn vrouw en kinderen(Paul en Ciska die nu respectievelijk 62 en 56 jaar oud zijn)waren met de kerst in 1957 al naar Nederland teruggegaan.

In Nederland kreeg ik eerst een baan bij de gemeente Amsterdam en heb toen als maatschappelijk werker nog bij de Sociale Dienst gewerkt, waar ik groepchef werd. Maar ik werd ernstig ziek. Dacht dat ik dood ging. Niervergiftiging. Kwam van te hard werken. Ik kreeg een kunstnier van een Franse jongen van 31 jaar, waar ik nu nog steeds op leef. Ooit, in Indië, was me al voorspeld dat ik nog eens ernstig ziek zou worden.'



Terugblik nu
'Tja, er is ontzettend veel gebeurd, niet altijd leuke dingen, maar toch kijk ik terug op een heel mooi leven. Indië en vooral mijn jeugdjaren daar, is iets wat me nog steeds erg bezig houdt.'

Helaas overleed Mary, de vrouw van Guus enige jaren geleden als gevolg van een aanrijding en is Guus nu weduwnaar. Hij mist haar erg, maar hij geniet van zijn kinderen en 4 kleinkinderen. 'Als die er niet waren, dan hoefde 't voor mij allemaal niet meer…'

Wat de Indische cultuur in Nederland betreft: 'Ach ik heb altijd graag de Tong-Tong en later de Moesson gelezen, maar mijn ogen zijn niet best meer. Ik moet met een vergrotingsapparaat proberen wat te lezen, maar dat is erg vermoeiend. Vroeger ging ik nog wel naar de Pasar Malam Besar in Den Haag, maar dat kan nu niet meer. Ik kan dat fysiek niet meer opbrengen. Maar op mijn flatje kan ik me redden. Ik heb een hulp die wat kookt en alle fotoboeken over de tijd in Indië daar kijk ik zo af en toe in en mijmer dan wat over toen'.

Na afloop van het interview is Guus Orth erg vermoeid. Hij brengt me naar de uitgang van de flat, wandelend met zijn stok. Wat een verhalen, wat een lang leven, denk ik steeds bij mezelf. Vooral het verschil tussen de jonge Guus op de foto's, en de oude man die ik net gesproken heb, intrigeert me. Eén mens, één leven, wat is het toch boeiend zo te luisteren naar al die verhalen.

Rick van den Broeke
April 2005