− 05/10/11, 00:00
Jan Pieterszoon Coen
liet in 1621 de bevolking van 'nootmuskaat-eiland' Banda grotendeels uitmoorden. Bijna vier eeuwen later hoopt
Paulus van den Broeke de muskaathandel nieuw leven in te blazen. "Gouden
tijden komen terug."
Metershoge
kanariebomen bieden schaduw aan eeuwenoude nootmuskaatbomen: de takken gekromd,
de bast gebroken. De golven van de blauwgroene Bandazee
rollen ritmisch op het strand, ze bereiken bijna nooit de enorme toegangspoort
tot nootmuskaatperk Groot Waling.
Binnen de omheining van deze nootmuskaatplantage zit Paulus 'Pongky' van den Broeke op zijn knieën, hij begraaft
tientallen muskaatnoten, die moeten uitgroeien tot stekjes voor een grote order
uit Seram. Pongky is de
laatste perkenier op de Banda-eilanden,
als dertiende generatie een nazaat van soldaat Jan van den Broeke die er
vierhonderd jaar geleden voet aan wal zette.
Die eerste jaren waren niet makkelijk, vertelt Pongky: "Mijn voorouders werkten hard, ze moesten
onderling concurreren. Mijn stambetovergrootvader was een autodidact. Hij had
aanvankelijk geen enkele ervaring met het verbouwen van nootmuskaat. Hij had
alleen een summiere instructie en leerde de rest door ervaring, en van zijn
slaven."
Jan van den Broeke is een voorbeeld van een Europeaan die op Banda is gebleven vanwege zijn vrouw en kinderen, meent
onderzoeker Bart Westenbroek. "Over hem is bijna
niets bekend. Zijn vrouw kwam uit Azië en zijn kinderen waren dus mestiezen. Mogelijk
was hij tot zijn dood werkzaam voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie."
De eerste perkeniers waren avonturiers,
(ex-)werknemers van de VOC en oud-soldaten. "Dat waren geen lieverdjes.
Eerder uitschot", vertelt Westenbroek, die werkt
aan een promotieonderzoek voor de Universiteit Leiden naar het nootmuskaat-monopolie. "Iedereen kon zich aanmelden
voor een perk. Waarschijnlijk betaalden de eerste perkeniers
niet voor een perceel. De VOC had haast met de uitgifte. Er waren immers met
spoed heel veel handen nodig voor de nootmuskaatoogst."
Haast omdat de toenmalig gouverneur-generaal van
Nederlands Indië, Jan Pieterszoon Coen, in 1621 een
deel van de bevolking op de eilandengroep had laten uitmoorden. Het geurende
goud kon dus niet worden geoogst. De Bandanezen die
deze wrede massaslachting overleefden, vluchtten naar slecht bereikbare
gebieden, afgeschrokken door de op bamboe spiesen gestoken hoofden die werden
tentoongesteld aan de rand van afgebrande dorpen.
De dorpen waren misschien verwoest door de legermacht van 1600 Nederlandse
soldaten en 80 Japanse huurlingen, de nootmuskaatbomen bleven ongeschonden. De
landerijen waarop deze bomen stonden, werden tussen 1621 en 1630 door Coen
afgeperkt. De perkeniers kregen de perken in leen en
mochten de nootmuskaat en foelie uitsluitend aan de VOC leveren, tegen een
vaste prijs. "Wie de specerijen bezat, was verplicht ze te leveren aan de
VOC. Die regel gold voor iedereen."
Paulus van den Broeke, de oudste zoon van Jan van den Broeke, werd in de jaren
'60 en '70 van de 17de eeuw de grootste perkenier van
de Banda-eilanden. Een van zijn perken leverde
omstreeks 1690 bijna
Toch ging het goed met de perkeniers in het kleine Banda. In de achttiende eeuw bouwde Frederik van den Broeke
het perkeniershuis op Groot Waling. Pongky wijst met trots naar de dikke muren van koraal. Hij
glimlacht. "Mijn voorvaderen beseften niet hoe goed hun leven was."
De rijkdom en weelde van de muskaatplanters was inderdaad groot. De verhalen
over geïmporteerd marmer en met rijksdaalders geplaveide vloeren in perkenierswoningen doen nog steeds de ronde. Net als grote
glazen kroonluchters, dure tapijten en andere kostbaarheden die naar de kleine
archipel werden vervoerd. Niet alleen aten en dronken de perkeniers
zich rond aan dure Europese spijzen, zij lieten zich vervoeren in vergulde
rijtuigen en hielden muziekavondjes en danspartijen.
Het leven was goed totdat in de 19de eeuw de verkoop terugliep. De perkeniers moesten concurreren met andere gebieden, het
Hollandse monopolie was gebroken. De slavernij werd afgeschaft en maakte plaats
voor betaalde arbeid. Niet veel later werd het alleenrecht van de vroegere VOC
op de koop en verkoop opgeheven. De perkeniers werden
overgelaten aan de vrije markt. De handel leefde even op toen rond
De Tweede Wereldoorlog kwam en de Japanners kapten veel eeuwenoude kanariebomen
voor een beter, strategisch, zicht op de zee. De perkeniershuizen
werden van al hun luxe beroofd. "De Japaners
namen mijn opa en vader gevangen. Na de onafhankelijkheidsverklaring mochten
zij terug naar Banda, maar de regering had alles
ingenomen: de huizen, de nootmuskaatperken, alles."
Dit was een doorn in het oog van Wim van den Broeke, de vader van Pongky. Hij zette alles op alles om zijn perken terug te
krijgen. Uiteindelijk werd in 1980
Terwijl Wim van den Broeke de plantage herstelde, woonde Pongky
in Jakarta. "De hele plantage interesseerde mij niet zoveel. Ik had totaal
geen interesse in het perk." Totdat hij in 1992 een telegram krijgt,
waarin zijn vader hem sommeert terug te komen.
"Ik ging met een zwaar hart en zag hoe moeilijk en stil het leven
was." Na veel wikken en wegen besluit hij te blijven, met zijn gezin.
Dan overlijdt zijn vader: "Vlak voor zijn dood drukte hij mij op het hart
het werk van mijn voorouders voort te zetten, om nooit te stoppen." Na een
paar maanden beginnen de onlusten tussen moslims en christenen op de Molukken. Het geweld slaat over naar de Banda-eilanden
en op een avond wordt de perkenierswoning van Ponky aangevallen. Hij ontkomt aan de dood, maar zijn
vrouw, twee dochters, zijn moeder en een tante worden om het leven gebracht.
Met zijn twee andere kinderen vlucht Pongky naar
Jakarta, ver weg van de Molukken. "Ik wilde
nooit meer terug." Uiteindelijk besluit hij het werk van zijn voorouders
toch voort te zetten. Hij bekeert zich tot de islam en hertrouwt: "Ik heb
het mijn vader beloofd en ik moet het doen. Of ik het nou wil of niet."
Stukje bij beetje herstelt Pongky de plantage op Banda Besar. Hij bouwt een simpel
huis naast het skelet van het ooit zo statige perkeniershuis.
De perkenierstuin staat nu vol met stekjes van de
muskaatboom. "Ze hebben 700.000 stekjes besteld", vertelt
Pongky enthousiast. Met het geld dat hij hiermee verdient wil hij de perkenierswoning
in oude stijl herstellen. Voor toeristen én voor zijn
nieuwe gezin. De verdriedubbeling van de prijs van nootmuskaat in de afgelopen
twee jaar noemt hij 'een geschenk uit de hemel'. "De gouden tijden komen
terug. Alleen zullen het nu de Bandanezen zijn die
rijk worden van de nootmuskaat."
Het nootmuskaat-monopolie
van de Nederlanders
Nootmuskaat heeft via de zijderoute de Europese steden bereikt en werd er
mateloos populair. De specerij wordt eerst gebruikt als reukmiddel in kerken en
tijdens feesten. Het conserveren van vlees met het poeder komt in de 15de eeuw
in zwang, ook beginnen mensen vanaf die tijd raspsels van muskaatnoten door het
eten te doen. Daarnaast wordt het allerlei medicinale, bijna magische krachten
toegedicht. Een paar gram van de specerij zou mensen genezen van de pest. De
nootmuskaatboom gedijt niet overal even goed: de aanwezigheid van een vochtig
tropisch klimaat, vulkanische en kalkrijke grond is een must. Pas aan het einde
van de 17de eeuw lukt het de Fransen om op Mauritius stekjes tot
nootmuskaatbomen uit te laten groeien. De eerste barst in het nootmuskaat-monopolie van de Nederlanders is daarmee een
feit. Nu komt nog altijd driekwart van de wereldproductie van nootmuskaat en
foelie uit Indonesië. Het Caribische eiland Grenada produceert de rest.
Wereldwijd wordt er jaarlijks ruim 10.000 ton nootmuskaat en foelie verhandeld.
Het merendeel van de productie gaat naar de Verenigde Staten en West-Europa.
Nederland is met 800 ton een grote afnemer.