| Home | Historie | Banda-eilanden | Fotoalbum | Documenten | Stamboom | Links | Persoonlijk | Contact |
Hoe is dat allemaal zo ontstaan?
De Banda-eilanden waren altijd erg in trek vanwege de nootmuskaat die daar groeide. Aan die specerij was veel behoefte in Europa. Zowel de Portugezen als de Hollanders wilden om die reden handel drijven met de Bandanese bevolking. Hoewel dit met de Portugezen in de 16e eeuw nog vreedzaam verlopen was, gold dat niet voor de VOC. Door een conflict wat in 1621 ontstond met de Bandanezen besloot J.P. Coen tot uitmoording van de bevolking. Een ware holocaust in die tijd.
Het bestuur van de VOC in Amsterdam, de Heren XVII hadden wel moeite met die maatregelen van J.P. Coen.
Consequentie was dat de nootmuskaatplantages geheel onbemand waren door Coen's handelwijze. Dezelfde J.P. Coen ontwikkelde daarop het plan personen uit Holland over te laten komen om de plantages in beheer te nemen. Een klein deel van de winst van de nootmuskaathandel mochten zij zelf houden, de rest van de winst ging Amsterdam. Amsterdam is in die dagen rijk geworden van deze specerijenhandel.

Opperkoopman Pieter van den Broecke
In diezelfde periode rond 1616-1621 voer opperkoopman Pieter van Broecke met VOC schepen naar Banda. Eerder had hij al handel gedreven in Afrika en India.
In de scheepjournaals van Pieter van Broecke staat beschreven dat hij van Indiase slavinnen nazaten kreeg. Het kan zijn, zeker weten we dat niet, dat een daarvan op de Banda-eilanden belandde als perkenier. Feit is in ieder geval dat de Van den Broeke's tot de allereerste perkeniers behoorden die op Banda nootmuskaatplantages exploiteerden. Dat alles is begin 20e eeuw onderzocht door de Leidse oudheidkundige Van der Wall die in de uitgebreide studie 'De Nederlandse oudheden op de Molukken' en de studie 'De eerste perkeniers van Banda' e.e.a. aangetoond heeft.
Zo kun je op Poeloe Ay nu nog het grote graf vinden van Paulus van den Broeke(1694-1754) en de poort bij het perk Welvaren met de inscriptie 'Gelukkig is de mens die god tot een hulp heeft' .
Die eerste Van den Broeke's hebben de organisatie rond het beheren van een nootmuskaatperk, de inschakeling van slaven in die tijd en de wijze van oogsten zelf moeten ontwikkelen, want niemand kon hun die kennis overdragen. De oorspronkelijke bevolking was immers over de kling gejaagd door de VOC.Lees ook de inleiding die ik schreef bij onze stamboom. Het perk 'Welvaren' telde, volgens Van der Wall, 160 'zielen' en 55 slaven en in 1690 was de oogst: 24000 noten en 6000 pond foelie.
Dominee Francois Valentijn die in de 17e eeuw het boek schreef 'Oud- en Nieuw Oost-Indiën' beschrijft hoe hij de Banda-eilanden in die tijd bezocht en een gesprek had met de oude perkenier Van den Broeke, zittend op een door de bliksem omgevallen boom. (wat zou het mooi geweest, zo'n moment weer in beeld te kunnen brengen!).
Perken Groot- en Klein Waling
In de 18e eeuw waren de perkeniers van Banda ontstellend rijk. De Gouden Eeuw was voor hun letterlijk aangebroken. De rijkdom van de nootmuskaathandel met de VOC veroorloofde de perkeniers daar in weelde de leven. Ze lieten de vloer van de voorgalerij van hun perkenierswoningen soms met rijksdaalders inleggen. Er werden dagelijks feesten geoganiseerd op Banda en er werden grootste maaltijden opgediende. De rijkdom kon niet op.
In die periode was het vaak zo dat door onderling huwelijk grotere stukken grond aangekocht konden worden door de perkeniers. Zo verplaatste de familie Van den Broeke zich naar een ander, groter eiland, Lonthor, genaamd waar o.,a. de perken Groot- en KleinWaling werden aangekocht.
In die tijd was het zo dat de perkeniers zelf op het hoofdeiland Banda-Neira woonden en hun plantages op de andere eilanden gelegen waren. Zo gingen de Van den Broeke's door de week regelmatig met een bootje van Neira naar Lonthor om daar de plantage te inspecteren. Op de plantage zelf woonden de slaven en het eigen personeel.

Opa Gerrit van den Broeke geboren op Banda in 1884
In de 19e eeuw, toen de VOC al falliet was ontstond armoede op de Banda-eilanden. De Bandanese Handelsmaatschappij was nu verantwoordelijk voor de export van de nootmuskaat naar Europa. In die economisch ongunstige periode werd mijn eigen opa Gerrit van den Broeke in 1884 op Banda-Neira geboren en heeft als jongen het leven op het perk Groot Waling helemaal meegemaakt. Ook mijn tante Dé en tante Lien en andere zussen van mijn opa werden daar geboren. Uiteindelijk telde het gezin van mijn overgrootvader Martinus van den Broeke 8 kinderen.
Op latere leeftijd toen mijn opa medio 1952 naar Holland repatrieërde samen met mijn oma en zij in Den Haag gingen wonen, sprak mijn opa nog heel vaak over die mooie jeugdjaren van hem op het prachtige Banda. Ik heb Banda zelf in 1992 bezocht en heb gezien wat een prachtig eilandengebied dit is.
Over Banda kon opa Gerrit lyrisch zijn. Zo mooi was de herinnering aan dat eilandengebied. (Ook de schrijver Rudy Kousbroek kon met groot enthousiasme spreken over Banda)
Eind 19e eeuw ontstonden echter problemen met zijn vader, mijn overgrootvader Martinus van den Broeke. Hij bleek een buitenechtelijke relatie te hebben met een vrouw uit Ambon. Toen hij op enig moment een grote geldprijs won, liet hij zijn gezin van 8 kinderen in de steek en trok in bij zijn vriendin op Ambon. Het gezin van mijn opa Gerrit, die toen zelf 16 jaar was, kwam daardoor uiteraard in grote financiële problemen.
Besloten werd de reis naar Java te aanvaarden om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Java had betere voorzieningen dan Banda en daarom besloot moeder Van den Broeke, gesteund door haar oudste zoon Gerrit, met het hele gezin van 8 kinderen naar Java te verhuizen. Dat moet in die tijd een hele expeditie geweest zijn.
Zo kwam de jonge Gerrit van den Broeke in 1900, op 16-jarige leeftijd, op Java aan waar hij als tuinemployé op een suikerfabriek in Oost-Java een baan kreeg. Eén ding bezwoor zijn moeder: haar kinderen en kleinkinderen zouden nooit enig contact mogen zoeken met haar ex-man Martinus, die haar immers zo schandelijk in de steek had gelaten met haar hele gezin. Ik kan me nog goed herinneren dat ik op Banda was met mijn oom Guus van den Broeke, de broer van mijn overleden vader en hij vertelde dat het bezoeken van zijn eigen opa absoluut niet mocht van zijn oma vanwege al het leed dat opa Martinus het gezin had aangedaan.
Gerrit van den Broeke maakte op Oost-Java snel carriere. Hij was achtereenvolgens leerling smid, goedangopzichter, weegbrugopzichter, assistent boekhouder, boekhouder en hoofdtuinemployee. Hij werkte op diverse suikerfabrieken in Madiun(s.f. Redjo Agung, s.f. Pagottan en suikerfabrief Jombang). Op een van de vele suikerfeesten leerde hij Mientje Klaus kennen, waarmee hij in 1911 in Soerabaja trouwde. Zij kregen vijf kinderen, Lizzy (de oudste), mijn vader Richard, Guus, Els en Geer. (allen zijn reeds overleden) Toen hij vijftig jaar was ging hij met pensioen en gingen opa en oma wonen a/d Darmoboulevard 39 in Soerabaja. (dit prachtig huis, geheel in Amsterdamse Schoolstijl ontworpen, bezochten wij in 1992). Na de Tweede Wereldoorlog kwam de familie naar Nederland om een nieuw bestaan op te bouwen.