Dagboek van Pap 2 maart 1942 t/m 2 mei 1942


 

Vooraf
Mijn ouders, Richard en Emmy van den Broeke, woonden in die dagen in Pasuruan, vlakbij Soerabaja. In 1940 was mijn zusje Anneke geboren. Begin 1942 was mijn vader, die werkte op het Proefstation voor de Suikerindustrie voor Oost-Java in Pasuruan, marine reserveofficier geworden vanwege de dreigende oorlog met Japan. Nadat de Slag in de Javazee verloren was, bezetten de Jappen heel Indonesië. Dit dagboek begint op 2 maart 1942, de dag dat mijn vader mijn moeder en zusje Anneke(toen 1½ jaar) moest verlaten. Alle marinemensen moesten geëvacueerd worden. Mijn moeder en Anneke zouden later geïnterneerd worden in 3 verschillende jappenkampen op Java. Pas na de oorlog zouden zij mijn vader terugzien in Nederland.

Hier begint het dagboek van mijn vader:

2 maart 1942

Na mijn plicht te hebben gedaan bij het vernielingswerk op het Marine-Etablissement(M.E.)te Soerabaja, ben ik met Koorn en Mooy in de auto van laatstgenoemde naar huis (Speelmanstraat 35) gegaan. Thuis trof ik niemand. Allen zaten in de schuilplaats want er was luchtalarm. Echter geen alarm voor de aanwezigheid van vijandelijke bommenwerpers of jagers, doch als veiligheidsmaatregel, aangezien toen (±11 uur ´s morgens) met het grote vernielingsproces van explosieven op het ME en het opblazen van de Pyrotechnische Werkplaats(P.W.) van de Marine op Madoera werd begonnen.

 

In de bedoelde schuilplaats trof ik mijn vrouw Emmy, Anneke en Ciska(schoonzus). Emmy was erg zenuwachtig, vooral toen ik haar vertelde dat ik ´s middags om half zes op station Kotta aanwezig moest zijn om met het M.E.-personeel om half zeven te vertrekken richting Tjilatjap. Nadat het all-clearsignaal was gegeven, ben ik naar station Goebeng gegaan om de daar voor onms staande koffers en de eetstoel van Anneke af te halen. Ik heb de hele zaak op een taxi geladen en naar de Speelmanstraat gebracht. Boven de stad hingen zware donkere wolken, welke hun oorsprong hadden in de richting van het M.E. en P.W. .

Nadat ik de koffers thuis had afgezet, ben ik naar mijn ouders gegaan om afscheid te nemen. Ik was erg zenuwachtig, ook al door alles wat ik vanaf zondagmorgen op het M.E. had meegemaakt. Guus was thuis. Zus zat op kantoor, van haar heb ik geen afscheid kunnen nemen. Els kwam bij Cis thuis om mij te groeten. Er moet in mijn ouders heel wat zijn omgegaan; beide zoons zouden vertrekken, één naar het front voor ons leger en de ander als evacué met de Marine naar een onbekend oord.

 

Deze dag zal ik niet licht vergeten. Ik was erg in strijd met mijzelf. De gedachte Emmy en Anneke alleen achter te laten vond ik verschrikkelijk, maar als militair moest ik aan de order om te evacueren gehoor geven, anders zouden de gevolgen voor mij zijn en zou ik waarschijnlijk mijn gezin duperen. Toen ik weer in de Speelmanstraat kwam, vond ik op ´t terras bij Cis thuis zitten, Van Dijk en zijn vrouw en Darphoorn en zijn vrouw. Eddy (mijn zwager) was nog niet thuis, hij kwam pas tegen één uur ´s middags met Verloop. Eddy moest zich om 4 uur ´s middags weer meldenbij het Bristol Hotel waar de Marine-gasdienst verzamelen zou voor ´t vertrek met auto´s in de richting van Tjilatjap.

Nadat Eddy om 4 uur afscheid van ons allen genomen had, zijn Emmy en ik ons gaan baden en kleden. Anneke, die kleine schat, was intussen al gekleed door Emmy. Om 5 uur kwam Niesje Mens bij ons. Rudy, haar man (ze waren nauwelijks 1 maand getrouwd) was de vorige dag al geëvacueerd met de Marine Luchtvaartdienst. Om half 6 kwam Van Dijk met de auto voorrijden en moest ik afscheid nemen. Ik wou liever niet dat Emmy mee ging naar het station.

 

Dit afscheid van vrouw en kind, Cis en Niesje, zal ik niet gauw vergeten. Je weet op zo´n moment niet wat er met je gebeurd. Het was alsof ik een harde klap op mijn hoofd kreeg. Ik droeg Anneke(toen 1½ jaar oud), zoals ik altijd gewend was haar te dragen en in die paar minuten zag ik een caleidoscoop van ons huwelijk en de geboorte van Anneke, ons huis in Pasuruan waar Emmy en ik zo graag waren en wat ons zo lief was. Ik voelde niet meer dat ik stond of liep. Ik zat nauwelijks in de auto of Van Dijk reed weg en uit de verte zag ik een laatste glimp van Emmy met Anneke op haar arm, die in de richting van het huis liep. Wanneer zou ik beide lievelingen weer terugzien?

 

Het ging er intussen nog om of wij met de auto naar Tjilatjap zouden moeten gaan of per trein. Dit zou op station Koebeng bekend gemaakt worden. Wij reden via Toendjoengan naar Kotta en ik zag onderweg Ans Ellerkamp nog en Anneke Hemmes, die bij Cis in huis was. Anneke hebben wij in de auto genomen en gevraagd of zij de auto van Van Dijk naar het huis van Van Dijk in de Speelmanstraat terug wilde brengen, in geval wij met de trein zouden gaan.

 

Op het station Kotta was ´t een drukte van belang. Het waren allemaal M.E.-mensen die moesten evacueren. Het bericht kwam af dat wij per trein naar Tjilatjap zouden gaan en dus nam ik afscheid van Anneke Hemmes, die de auto van Van Dijk terugreed naar de Speelmanstraat. De trein was prop en propvol en warm dat ´t was! Om half 7 zette de trein zich in beweging. We reden in black-out weg en van Soerabaja was al spoedig niet veel meer te zien. In de trein werd niet veel gesproken. Iedereen was het liefst alleen met z´n gedachten. Voorzover men nog kon denken door vermoeienissen en emoties van de afgelopen 48 uur. De treinreis was taai. Wij hadden allen hevige dorst, waren vermoeid en slaperig. We konden echter alleen al door de ongelukkige houding waarin wij zaten niet slapen.

 

Bij Madioen zagen wij grote branden. De vernieling van de houtstapelplaatsen. Elk ogenblik stopte de trein, vaak ongemotiveerd, tenminste naar onze mening, want ettelijke malen stonden wij midden in de sawahs stil. Ik zat in één coupé met Koenraad Koorn, Bert van Dijk, Rudy Mooy en Tjeerd Heidstra. Bij één van de stations hoorden wij dat de vorige trein met marine evacuees naar Tjilatjap (de dagtrein) door de Jap was gemitrailleerd en er enige doden te betreuren waren. Bij dit station zag ik zelfs enige matrozen die ik herkende als mensen van het M.K.P. (Marinekazerne Pasiran) inde kampongs ronddolen. Een bedenkelijke toestand. Trouwens op de verschillende stations die wij aandeden vielen er regelmatig een paar mensen van onze trein af, die zich bedacht hadden en voor ´t evacueren niets voelden.

 

3 maart 1942

´s Morgens om ± 9 uur kwamen wij op station Tjilatjap aan.

Op dit station kwam ´t bevel dat alle militairen van onze trein over moesten stappen in een reeds gereed staande trein. De burgers van het M.E. moesten blijven zitten. Dit vond ik helemaal niet leuk. Maar order is order en ik stapte met de andere militairen over in de trein die ons naar de haven van Tjilatjap bracht.

 

In de haven aangekomen kregen wij het bevel ons aan boord te begeven van de ´Janssens´ een KPM´er. Ik dacht er juist over na of ik dit wel zou doen, toen het signaal ´ luchtalarm´ weerklonk. Met mijn koffer en regenjas( dat was al wat ik bij mij had. Ik had geen militaire kleding bij mij. Heb ik trouwens nooit ontvangen van de Marine in de tijd dat ik in Soerabaja bij de Marine was) in mijn hand, vond ik eindelijk een primitieve schuilplaats. In deze schuilplaats zaten ± 15 mensen, waaronder een kapitein van een KPM-schuit die onder ´t verband zat en vertelde dat zijn schip de vorige dag bij het uitvaren van de haven van Tjilatjap was getorpedeerd. Dat verhaal was niet zo leuk, althans niet als je zelf voor het feit staat om uit te varen. Enfin. Dit luchtalarm verliep zonder bombardement of iets van dien aard. Het waren waarschijnlijk Japanse verkenningsvliegtuigen die boven Tjilatjap waren gekomen.

 

Men vertelde mij toen dat Tjilatjap elke dag wel een paar maal luchtalarm had, maar tot nu toe nog nooit was gebombardeerd. Ik kreeg ook sterk de indruk dat de Jap elke dag kwam kijken of en wat er zoal aan de hand was in de haven, om dan verder buiten de haven liggen Japanse onderzeeërs in te lichten. Na ´t einde luchtalarm liep ik op ´t havenemplacement wat heen en weer. Ik ging nog niet aan boord van de ´Janssens´ maar hoopte de burgers van het M.E. nog te zullen zien, want dan was ik vast besloten rustig met hun mee te gaan.

 

Mijn wens werd vervuld. Al gauw verscheen op ´t havenemplacement een andere trein met de M.E.-burgers, die opdracht kregen zich te begeven naar een kamp ´somewhere´ in Tjilatjap. Daar liepen ze. Met koffers, plunjezakken, regenjassen en meer en ik liep er rustig achter aan. Ik vond ´t prettig te ontdekken dat ik als militair (alhoewel in burgerkleding) niet de enige was die in ´t ´ME-burgerfront´ meeliep. Ik herkende in die troep heel wat militairen die net als ik op het M.E. werkzaam waren geweest. Zowel officieren als manschappen. Ik zag ook kolonel de Vries (Inspecteur MSD van het M.E.) in die troep lopen en toen vond ik mijn daad ´niet meegaan met die Janssens´ volkomen gerechtvaardigd. Achteraf hoorde ik dat de heer Heringa, directeur M.E. gezegd zou hebben dat natuurlijk de militairen van het M.E. bij de burgers van het M.E. moesten blijven. Dit kan natuurlijk nooit want waarom zou dan die order van splitsing op het station van Tjilatjap gegeven zijn. Maar enfin, dat is mijn zaak niet. Ik kreeg alleen de indruk van een slappe organisatie.

 

Na een eind tippelen kwamen wij in het kamp aan. Dat bestond uit een paar barakken van riet. Daar vonden wij een schamel onderkomen. Wij hoopten dat wij daar een tijd zouden kunnen blijven. Ik heb Emmy gauw een postblad geschreven en ben op zoek gegaan naar een Chinees Restaurant wat ik tenslotte(veel is er niet in Tjilatjap) vond en waar ik een protie Nassi Goreng bestelde. Van dit eten had ik gauw genoeg. Niet omdat ´t slecht was, maar omdat ik eigenlijke niet eten kon. Later zou ik naar zo´n portie snakken. In een fietsenzaak kocht ik nog een binnenband, die ik misschien als reddingsmiddel nodig zou kunnen hebben.

 

Bij terugkomst in ´t kamp hoorde ik dat wij tegen de avond aan boord zouden gaan van de ´Tawali´, een KPM-schip. De stemming onder de burgers van het M.E. was zeer slecht. Men vloog elkaar haast in de haren. De meesten weigerden mee te gaan. Dit dachten zij te kunnen doen als burgers. Een oude man die er bij was deed niets anders dan huilen. Dit maakte mij nog zenuwachtiger.

 

De directeur van het M.E. was bij de meesten volkomen uit de gratie. Enfin, de stemming was in één woord: rot! Het kwam zelfs zo ver, dat de directeur van het M.E. (die elders vertoefde) later op de dag de mensen om zich heen verzamelde en een nietszeggende toespraak hield. Geen krachtfiguur. Hij zei in ´t kort dat de marinecommandant order had gegeven dat wij moesten evacueren. ´Ik zou u allen aanraden aan deze order gehoor te geven´. Een stem uit ´t publiek: ´Worden wij gekonvooieerd?´ Antwoord: ´Ja, dit is toegezegd.´ Een leugen want dit konvooi hebben wij nooit gezien. Weer een vraag: ´Wat gebeurt er met hen die naar Soerabaja teruggaan?´ Antwoord: ´Hij die terug wil gaan, kan gaan, maar wat er met hem gebeuren zal, dat weet ik niet.´ Plotseling gaat er iemand naast de directeur staan en roept: ´Kameraden(sic!), laten wij ons achter de directeur scharen en allen meegaan. Leve de directeur! Volkomen krankzinnige beweging! Weer een order: ´Zij die meegaan pakken nu hun boeltje op en begeven zich naar de autobussen die op de weg klaar staan en ons naar de haven zullen brengen.´


Het begon te regenen. Ik zocht intussen overal naar Eddy, maar zag hem nergens. Evenmin iemand anders van de Gasdienst. Wij werden per autobus naar de ´Tawali´ gebracht. Ik geloof niet dat er veel mensen achtergebleven zijn. Op de Tawali waren o.a. ook Engelse marine- en legermensen. Wij moesten op ´t dek en in de ruimen slapen. Direct werd iedereen voorzien van een zwemvest. Ik vond een plaatsje op het dek van het achterschip onder een kanon. Dit plaatsje heb ik behouden gedurende de hele reis met de ´Tawali´. Mijn zwemvest diende als hoofdkussen. Wij sliepen gekleed; m´n regenjas (goed advies van Emmy om die mee te nemen!) gebruikte ik als deken. Af en toe lag je volkomen in regenwater! Dan voel je je armoedig en hopeloos!


´s Avonds om 22.00 uur verlieten wij de haven van Tjilatjap. Een gesprek met de bemanning gaf weinig hoop op resultaat. Waarschijnlijk zouden wij al direct door de Jap aangevallen worden. Op het schip ontdekte ik Schuurman die mij vertelde dat Eddy met Verloop terug was gegaan naar Soerabaja met de auto van de Gasdienst. Ik hoop dat zij goed en wel in Soerabaja zijn aangekomen, want op Tjilatjap hoorde ik iets over ´t opblazen van een brug bij Madioen en de vernieling van de spoorweg).

 

De reis met de Tawali

De hevige regen bij het vertrek uit de haven van Tjilatjap blijkt voor ons gunstig geweest te zijn, want ondanks de geringe kans kwamen wij er goed doorheen. De volgende middag echter tegen 17.00 uur (wij waren 200 a 225 mijl van de zuidkust van Java verwijderd) namen wij een reddingssloep op met ± 15 Engelsen aan boord. Hun schip was in de morgenuren door de Jap de grond in geboord. Dat was niet direct bemoedigend.


Wij hadden allen ´t idee dat wij naar Australië zouden gaan. Onze koers leek er echter in ´t geheel niet op. Na 5 dagen hoorden wij geruchten dat we naar Colombo voeren. De stemming aan boord die toch al beneden peil was, werd door dit bericht nog slechter en ontaarde haast in een muiterijstemming. Een deputatie idioten van het M.E. (een andere naam kan ik er niet voor vinden) ging zelf naar de kapitein van het schip met het verzoek of hij alsjeblieft zijn koers wilde wijzigen, waarop natuurlijk geen acht werd geslagen. Wat een naïeve mensen! Dit tekent echter de mentaliteit en de stemming van een grote groep aan boord van de Tawali. Deze zelfde mensen zijn toen direct als gekken bezigheid gaan zoeken in het vervaardigen van reddingsvlotten uit kisten e.d. Dit is ´t enige goede wat ik hun heb zien doen, want toen hielden ze tenminste hun mond en deden goed werk. Want er waren inderdaad te weinig reddingsmiddelen aan boord. Toen ze hiermee echter klaar waren, begon ´t gekanker opnieuw. Het waren steeds dezelfde personen die de atmosfeer verpesten.

 

Het waren taaie dagen aan boord van de Tawali. Wij waren allen te vies om aan te raken. Steeds in je kleren op ´t dek slapen, baden was niet mogelijk. Het eten was gering. Enfin, hier kwam ook een eind aan want op 14 maart 1942 voeren wij de haven van Colombo binnen. Hoe blij wij allen waren weer land te zien, kan ieder zich voorstellen.Op 15 maart 1942 gingen wij van boord en werden overgebracht naar de Johan de Wit die daar in de haven lag. Enkele militairen en ambtenaren van het M.E. werden op het werkschip De Colombia geplaatst en bleven dus in Colombo.


Op de Johan de Wit was het prachtig. Ik had een hut samen met Amstelveen en Basset en nog een M.E.´er, waarvan ik de naam niet meer weet. Het eten was goed. Een verademing na de Tawali. Wij bleven in de haven van Colombo. Op 17 maart 1942 werden wij van de Johan de Wit overgebracht naar de Nieuw Amsterdam, een nieuw schip van de Holland-Amerikalijn. In Colombo ben ik vaak met Basset de wal op geweest om inkopen te doen. Ik had van militaire zaken bij aankomst in Colombo 50 rupee´s= f 30,- gekregen. In de stad gingen wij dan naar het Grand Hotel Oriëntal waar je heel goed en billijk kon eten.

´s Avonds was in Colombo door de black-out niet veel te beleven, dus is de bioscoop het enige waar je heen kan gaan. In Colombo heb ik op 19 maart even voor ons vertrek tezamen met Hartsuiker, van Dijk, Mooy, Heidstra en Koorn een bericht verzonden via het Rode Kruis naar Mr. Luysen (M.E.), Sumatrastraat 42, Soerabaja met vermelding:´Allen verkeren in goede welstand.´ Met opgave van onze 6 namen. Ik had Emmy zelf nog een Rode Kruisbrief willen sturen, maar het kantoor wat buiten de stad gelegen was(je moest er met de taxi heen gaan) was ´s middags dicht en voor die tijd konden wij moeilijk van boord gaan. Dit bericht van ons zessen hebben wij dan ook verzonden, door tussenkomst van een vriendelijke oude dame die voor ons de formulieren zou invullen.


Op de Nieuw Amsterdamkwamen in Colombo heel wat vrouwen en kinderen uit Colombo, Bombay, Singapore, etc, etc aan boord. Toen wij hun aan boord zagen komen, zeiden wij tegen elkaar ´die Engelsen bezien de zaak beter dan wij. Onze vrouwen en kinderen zitten nog op Java, maar wij evacueren vast voordat ´t hier te erg wordt.´ Tot op die dag waren de Jappen nog nooit boven Colombo geweest.

Op 19 maart 1942 kwam vice-admiraal Helfrich even aan boord van de Nieuw Amsterdam om ons allen, Koninklijke Marine en M.E. personeel toe te spreken. Dat was om 16.00 uur ´s middags en om 17.00 uur werd ´t anker gelicht en voeren wij de haven uit. Van onze marine was in Colombo aan boord van de Nieuw Amsterdam gekomen: de adelborsten, de opleiding militie telegrafisten, monteurs en vliegtuigmakers en nog een paar officieren, onderofficieren en leden van de vaste bemanning die een paar dagen eerder met de Kotta Baroe Java verlaten hadden. Het was een heel militair gedoe aan boord. Ik liep echter nog fijn in burger, hoorde bij ´t M.E., had van het M.E. een hut gekregen en stond als 2e klas passagier te boek. De militairen sliepen in het ruim. Elke dag baksgewijs en zo meer, maar ik viel daar geheel buiten. Aan boord waren verder naast het grote aantal Engelse vrouwen en kinderen nog heel wat Engelse, Amerikaanse en Australische leger- en marinemensen.

 

De Nieuw Amsterdam is het prachtigste schip dat ik ooit gezien heb. Wat lijkt me dat om daarop een plezierreis te maken! Niettegenstaande dit schip nu geheel gebruikt wordt en omgebouwd is als troepen-transportschip, is er nog een enorme luxe aan boord. Neem bijvoorbeeld de schitterende bioscoopzaal. Op de Nieuw Amsterdam werd veel gedaan voor de passagiers, bijvoorbeeld bioscoopvoorstellingen, dansavonden, sportwedstrijden, Horsy-Horsy, een cabaretavond en meer. Het eten was overdadig, luxe. Men vergat de oorlog daar volkomen. De reis met de Nieuw Amsterdam duurde echter slechts 8 dagen want op 27 maart 1942 voeren wij de haven van Durban(Zuid-Afrika) binnen.

 

Durban is een prachtige stad, schitterend gelegen, een mooie haven met op de achtergrond de ´Skyscrapers´ en ´t heuvelland. Wat doet ´t ons goed voor ´t eerst weer in een stad te zijn waar geen ´black-out´ is. Durban is een vriendelijke mooie stad, net als de inwoners. Er is volop fruit te krijgen en zeer goedkoop (9 cent voor een pond druiven). Alle militairen hebben in Zuid-Afrika vrij reizen in trams en trolleycars en wij dus ook. Er werd ook veel voor de geallieerde troepen gedaan: kantines, dancings, sportclubs etc. Op een middag hebben wij met een stel dames uit Durban een prachtige tocht in autobussen gemaakt naar ´The Valley of the Thousand Hills´. Zuid-Afrika is werkelijk schitterend en veelbelovend voor de toekomst!

 

31 maart 1942

In Durban werd ik bij alle marinemannen gevoegd en moest de burgers van het M.E. verlaten, evenals vele anderen die als dienstplichtigen bij het M.E. werkzaam waren (rotstreek, hoofdzakelijk geldkwestie). Op deze dag gingen wij van de Nieuw Amsterdam af en werden wij (Marinepersoneel) per trein vervoerd naar Clairwood waar wij in tenten werden ondergebracht. Dit kamp waar ook Engelsen, Fransen, Amerikanen, etc. lagen, was voordien een krijgsgevangenenkamp voor Italianen. Clairwood ligt zo´n 20 kilometer van Durban af. De M.E.-burgers werden getransporteerd naar Ladysmith, ook per trein. Van Clairwoord uit konden wij geregeld passagieren in Durban. We hadden daar een aardige tijd.

 

Op 3 april 1942 verlieten wij (Ned.Marine) weer het kamp in Clairwood en gingen terug naar de haven van Durban waar wij op de Christiaan Huygens werden gezet. De inheemse militie en enkele Europeanen bleven achter in Clairwood. Die gingen naar West-Indië. Wij gingen naar Engeland. Schuurman bleef ook achter op Clairwood. Hij moest terug naar Colombo om op het schip De Columbia te werken. In Durban kwamen op de Christiaan Huygens weer een gedeelte van de M.E.-burgers, de rest (Indische jongens) bleef in Ladysmith achter om later doorgezonden te worden naar West-Indië. Rassenkwestie! Onder de mensen die met ons meegingen naar Kaapstad was ook Basset, die ouwe taaie! Op 4 april 1942 verlieten wij tot onze spijt Durban.

 

Op 7 april 1942 kwamen wij in Kaapstad aan. Schitterende stad met op de achtergrond de machtige Tafelberg. Vriendelijk volk. Hier hoor je veel Zuid-Afrikaans spreken. Onze marine werd op 8 april uitgenodigd voor een dans in de Good Year Club, waar o.a. veel buitenlanders en plentie vrouwvolk was. Mooie tijd gehad in Kaapstad.

 

10 april 1942 vertrokken we 11uur met de Christiaan Huygens. De M.E.-burgers bleven in Kaapstad (in Simonstown).

 

Reis naar Engeland

Deze reis was niet zonder gevaar. Van het begin tot het eind van de reis moesten we de life-belts aanhouden. Ik had een hut met Van Dorsten. Al hoewel er getracht werd de mensen aan boord te amuseren was het een langdurige vervelende reis. Wij hadden veel Engelse soldaten aan boord, die met verlof teruggingen naar Engeland of gewond waren.


2 mei 1942

De reis met de Christiaan Huygens eindigde met de aankomst in de haven van Liverpool. Eindelijk in Engeland! Met het oog op het gevaar van eventuele luchtaanvallen moest alles zo gauw mogelijk nog dezelfde dag van boord.

Om 15.00 uur na aankomst zaten wij al in de trein, die ons bracht naar Wolverhampton, een aardige plaats in de Midlands. Buiten het station van Wolverhampton stonden bussen met Nederlandse soldaten als chauffeurs te wachten. Wij stapten in deze bussen en werden naar het Nederlandse Prinses Irenekamp gebracht in Wrottesley Park, 8 mijl buiten Wolverhampton gelegen. Wij hadden ontzettend veel bekijks in de stad want zulke ´orangs´ hadden zij blijkbaar nog nooit gezien in Wolverhampton en zeer zeker geen marine-mensen!

 

 

Hier eindigt het dagboek.

Naschrift Rick van den Broeke:
In Engeland werd mijn vader als officier technische dienst ingezet in Dover bij een flotille Motor Torpedobootjagers en Mijnenvegers van de Koninklijke Marine, dat onder leiding stond van commandant Larive (zie link). Hij was ook betrokken bij D-Day. (invasiemacht Normandië). Direct na de oorlog werd hij eerst ingezet bij de Mijnendienst van de Marine in IJmuiden.

Toen hij op een keer ´s nachts per motorfiets van IJmuiden naar Amsterdam wilde rijden om zijn schoonouders daar te bezoeken kreeg hij een aanrijding met een Canadese jeep waardoor zijn rechterknie verbrijzeld werd. Als gevolg daarvan werd hij geopereerd in het Burgerziekenhuis in Amsterdam en revalideerde hij in het Marinehospitaal Kareool te Aerdenhout. Doordat hij invalide was geworden, werd hij afgekeurd als militair en kwam hij als ambtenaar te werken bij het Ministerie van Marine, later Ministerie van Defensie, waar hij opklom tot Technisch Hoofdambtenaar en Hoofd van het Bureau Toegepaste Electronica van de Hoodafdeling Materieel. Hij is onderscheiden als Ridder en Officier in de Orde van Oranje Nassau. In 1977 ging hij met pensioen en in 1980 overleed hij plotseling op 66-jarige leeftijd (ik was toen 32 jaar). Mijn moeder overleed 3 jaar later.

Eind 1945 werden mijn moeder en zus Anneke, die geïnterneerd waren geweest in verschillende jappenkampen op Java en na de bevrijding slachtoffer dreigden te worden van de Bersiap(onafhankelijkheidsstrijd Indonesiërs), vanuit Soerabaja door de Engelsen getransporteerd naar Nederland en volgde een weerzien met mijn vader. Maart 1948 werd ik als ´wederopbouwkind´ geboren in Amsterdam. In 1949 kreeg het gezin een woning met vele andere marinegezinnen in het Statenkwartier in Den Haag, waar ik mijn jeugd doorbracht.


Foto van mijn vader(helemaal rechtsonderaan op de foto) tussen de marinemanschappen in Wolverhampton 1942.


MS. Tawali waarmee mijn vader van Tjilatjap(Java) naar Colombo voer.


Ons gezin in Den Haag medio 1950. Ik ben die kleine peuter!

Zie voor verdere informatie ook mijn website: www.rickvdbroeke.nl
en een persoonlijk verhaal dat ik schreef over mijn vader die erg veel voor mij betekend heeft.

Aanbevolen literatuur:
Hans Larive: ´Vanacht varen de Hollanders´.
Peter Scott: Battle of the Narrow Seas.




Rick van den Broeke
Alkmaar, december 2010