HomeHistorieBanda-eilanden Fotoalbum DocumentenStamboomLinksPersoonlijk Contact

Lezing Rick Van den Broeke 18 juni 1994 over "De Banda-eilanden"
georganiseerd door de Indische Kulturele Kring - Pasar Malam Besar
Den Haag/Minitheater

_________________________________________________________________________

Dames en heren,

Inleiding

Het is uiteraard voor mij een hele eer om hier op de Pasar Malam te kunnen spreken over Banda en de familiegeschiedenis van mijn voorouders. Ik wil daarbij vooraf graag stellen dat ik de tekst van deze lezing opdraag aan twee overleden personen die in mijn familie voor mij de sterke band met Indië en Banda vertegenwoordigen: dat zijn mijn opa Gerrit van den Broeke die in 1966 hier in Den Haag is overleden en geboren is op Banda en dat is zijn zus en dus mijn tante Dé , eveneens geboren op Banda , die eveneens in Den Haag is overleden in 1990 en geboren is op Banda .Beiden waren mij zeer lief en beiden hadden Banda als geboortegrond.

Als kleine jongen hoorde ik vaak de verhalen van hun beiden over Banda zonder dat ik de betekenis daarvan goed kon doorgronden maar wat ik toen wel al goed begreep, met name bij mijn opa , was dat het praten over Banda heel sterke emoties bij hem losmaakte. Ik zag dat, en voelde dat, maar kon niet overzien wat daar dan allemaal gepasseerd was.Door mijn interesse voor Banda heb ik geleidelijk aan een beter beeld gekregen van het leven daar en de verbinding tussen Nederland en Indië die daar nog steeds zo voelbaar aanwezig is.

Ik besef dat 300 jaar geschiedenis van de familie Van den Broeke dáár ligt en de tijd van na de oorlog dat de Van den Broeke's vrijwel allemaal in Nederland wonen geheel in het niet valt bij die lange voorgeschiedenis op Banda.

Zowel voor mijn eigen familie en met name de jongere generatie als alle andere belangstellenden hier aanwezig, hoop ik dan ook dat ná deze lezing Banda voor u een vertrouwd iets is geworden en geen onbekende gebied op de grote wereldkaart.

1. Banda

Als we spreken over de wereldkaart, waar ligt Banda dan eigenlijk? Waar hebben we 't eigenlijk over ?
Onder de Banda-eilanden verstaan we het eilandengebied in de Molukken in Oost-Indonesië even ten zuiden van Ambon, 2.000 km ten oosten van Jakarta dat bestaat uit 7 eilanden en enkele onbewoonde rotsen . Een eilandengebied, een klein stukje paradijs op aarde, dat ondanks haar kleine omvang een rol van betekenis heeft gespeeld in de koloniale geschiedenis van Nederlands-Indië. Je zou kunnen stellen dat vanuit dat kleine gebied de verdere kolonisatie van Indië begin van de 17e eeuw startte.

De kern van de Banda-eilanden wordt gevormd door :
a) de vulkaan de Guning Api , die 650 meter boven zee troont;
b) het hoofdeiland Banda-Neira waar nu het kleine vliegveld ligt, de school en kerk te vinden zijn en de woningen van de vroegere perkeniers.
c) het langwerpige eiland Lonthor of Banda Besar, waar 29 nootmuskaatperken zijn die reeds eeuwen oud zijn. Het eiland heeft een lengte van 12 kilometer en is 3 km breed;

Om deze drie eilanden liggen op enige afstand westelijk de twee kleinere eilanden Pulau Ay en Pulau Run , oostelijk het eiland Pulau Pisang en ten zuid-oosten het eiland Rozengain, dat tegenwoordig Pulau Hatta heet. Totaal dus 7 eilanden, niet groter dan Ameland, die tezamen met wat hele kleine eilandjes ter grootte van een voetbalveld, de Banda-eilandengroep vormen en gelegen zijn in de zeer diepe Banda-zee, die een oppervlak heeft van ruwweg 20 bij 30 kilometer . De Banda-zee vormt het meest diepgelegen zeegebied rond de Indonesische Archipel . Is gemiddeld 5.000 meter diep en is door haar helderheid , koraal en parels een lustoord voor duikers.

Zoals u straks uit mijn voordracht zult begrijpen, waren deze kleine eilanden, waar nu zo'n 15.000 mensen wonen, vanaf de 16e eeuw een belangrijk domein voor de Europese handel in nootmuskaat . Eerst voor de Portugezen in de 16e eeuw en later, vanaf de 17e eeuw, voor de Nederlanders.Dat gold ook voor Ambon. Ambon en de Banda-eilanden werden en worden nog steeds betiteld als de specerijeneilanden. Van Ambon kwam de kruidnagel, van Banda de nootmuskaat. Door de bijzondere ligging van de Banda-eilanden, de vulkanische bodem, de absoluut onvervuilde zeewind , de 3000 millimeter regenval per jaar heeft de nootmuskaat van Banda de beste kwaliteit ter wereld. Dat was vroeger zo en dat is nu nog steeds zo, al wordt het produkt nu ook voor andere doeleinden gebruikt, zoals de after-shaveindustrie.

 

2. Het Portugese handelsmonopolie over de Banda-eilanden in 1621

Ik neem u nu mee terug in de tijd. Ruim 400 jaar terug. Wij schrijven het jaar des heren 1585. Grote delen van Europa worden bezet door de Spanjaarden en ook Antwerpen dreigt ten prooi te vallen aan het schrikbewind van Parma. In dat jaar 1585 wordt op 23 februari in de koopmanswoning van suikerraffinadeur Van den Broecke en zijn vrouw Maria de Morimont een zoon geboren genaamd Pieter. Hun vierde kind. De omstandigheden voor het protestantse gezin zijn ongunstig. Vele protestanten verlaten halsoverkop Antwerpen want de katholieke spanjaarden richtten hun agressie vooral op de protestantse bewoners van de stad. Vader en moeder Van den Broecke vluchtten daarom met paard en wagen en ál hun kroost en hun belangrijkste hebben en houwen naar de Noordelijke Nederlanden en belandden -na eerst een periode in Alkmaar en Hamburg te hebben gewoond- uiteindelijk in 1592 in Amsterdam. Onthoudt u dat gegeven, ik pak die draad straks weer op, maar vertel u eerst het volgende. Ik schets u allereerst wat zich in Azië voordeed in de 15e en 16e eeuw om een goed begrip te krijgen van dat tijdsgewricht.

Nadat met name de Moslims hun veroveringstochten vanuit Arabië begonnen waren in Azië in de Middeleeuwen, had zich tot het einde van de Middeleeuwen geen Westers schip meer in de Oostelijke zeeën gewaagd. De moslims hadden de hele zeeweg van Cairo tot de Molukken in handen. In de eerste helft van de 16e eeuw kwam hierin pas verandering nadat de portugees Vasco da Gama in 1497 met vier schepen om Kaap de Goede Hoop voer en Indië voor de eerste maal langs die route bereikt werd. Om handel te kunnen drijven in Azië bouwden de Portugezen factorijen. Uiteraard leidde die handelsvaart tot grote conflicten met de moslims en bracht die activiteit van Portugal de gehele Islamitische wereld in beroering. De macht en slachtkracht van de Portugezen in die tijd was echter groot, wat je je nu niet kunt voorstellen kijkend naar de omvang en betekenis van Portugal in deze tijd. Het waren achtereenvolgens de Portugese admiraals Francisco d'Almeida en d'Alboquergue die overwinning na overwinning op zee op Islamitische vloten behaalden en langzaam aan in de 16e eeuw grote delen van Azië veroverden. Eén van die delen van Azië vormden de Molukken, in het bijzonder Ambon en de Banda-eilanden.

In 1512 , na de verovering van de Portugezen van Malakka, zond admiraal d'Albuquergue een drietal scheepjes naar de specerijen-eilanden wat vervolgens leidde tot een handelsmonopolie van Portugal op dat gebied. Om tot een dergelijk handelsmonopolie te komen moesten de Portugezen onderhandelen met de plaatselijke bevolking op Banda. Vóór de komst van de Portugezen werd door de Bandanezen handel gedreven met de Javanen en vermengden Javanen zich ook met de oorspronkelijke bevolking. Een oorspronkelijke bevolking die tamelijk militant was en waar koppensnellen nog met de regelmaat van de klok aan de orde was. De Portugezen monopoliseerde de nootmuskaathandel en kruidnagelhandel in Europa vanuit Banda en Ambon en vanwege dat gegeven werd Holland afhankelijk van Portugal als het ging om de toelevering van specerijen. De sterke invloed van Portugal is vooral in Oost-Indonesië , in de Molukken duidelijk te constateren in de sterke verwantschap in gedrag en voorkomen van de Molukkers net de Portugezen.

3. Het ontstaan van de VOC

De ommekeer kwam in 1580.

Spanje veroverde dat jaar Portugal en omdat Spanje vanaf 1568 ook in oorlog was met de Noord-Nederlandse gewesten werd, in het zelfde jaar dat Pieter van den Broecke geboren was, 1585, de haven van Lissabon door Spanje afgesloten en nam Spanje de gehele Portugese vloot in beslag. De toevoer van specerijenhandel naar Nederland was daarmee afgesloten. U moet zich realiseren wat dat voor Nederland betekende in die tijd. De specerijen vormden in de 15e en 16e eeuw een luxe artikel. Koelkasten bestonden uiteraard niet en voedsel bleef niet lang goed. Om voedsel toch nog enigszins op smaak te houden en goed te kunnen conserveren, werd de toevoeging van specerijen als een weldaad ervaren. De vraag daarnaar was in die tijd groot.

Vanuit Nederland werd daarom gekoerst op een eigen handel met Azië om de specerijen zélf in het bezit te krijgen en niet langer van andere landen afhankelijk te zijn. De handel met de Portugezen was door de Spanjaarden geblokkeerd, dus men moest bezien hoe een eigen handelsvaart op Indië kon worden ontwikkeld. Maar hoe daar te komen ? Afgezien van scheepsbouw, scheepslieden en kapitaal was de allereerste vraag hoe de route naar Indië moest worden bevaren.

Een belangrijk man die de route om naar Indië via Kaap de Goede Hoop beschreef was Jan Huygen van Linschoten. Als ontdekkingsreiziger die Azië had bezocht , stelde hij zijn wederwaardigheden te boek in zijn belangrijk werk "Itenario" , dat zowel de route naar Indië beschreef als een verhandeling gaf over de volken van Azië en zowel een zeemansgids als koopmansgids tegelijk is.( Voor de liefhebber: de Itenario kunt u zien in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam.) De geograaf en predikant Petrus Plancius, een leerling van de cartograaf Mercator, kon op basis van die nieuwe gegevens van Jan Huygen van Linschoten de route verder in kaart brengen en als handelsroute aanbevelen voor reders,schippers en stuurlieden. Een eerder reis via de Noordpool van Heemskerck en Bontekoe was, zoals u zich uit de geschiedenisboekjes kunt herinneren, gestrand op Nova Zembla .

Eind 16e eeuw waren er verschillende handelscompagnieën uit Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen, Middelburg, Veere, Delft, Rotterdam die als "Compagnieën van Verre" , gebruikmakend van de nieuwe handelsroute via Kaap de Goede Hoop handelsvloten naar Azië stuurden. De allereerste reis naar Indië werd door Cornelis de Houtman en Gerrit van Beuningen in 1595 aangevat met vier schepen, waarvan er drie doorreisden naar de Molukken . Banda werd toen nog niet aangedaan. Die eerste reis was erbarmelijk, het duurde 15 maanden voordat men vanaf Tessel uiteindelijk Bantam op West-Java bereikte en pas 2 1/2 jaar later keerde de retourvloot terug in de haven van Amsterdam. Van de oorspronkelijke bemanning van 240 man hadden uiteindelijk 87 man de reis overleeft. Hoe ellendig de situatie aan boord van zo'n Oost-Indiëvaarder was, kunt u zich voorstellen. Het enige voedsel was beschuit en ingezouten vlees en in houten tonnen was drinkwater opgeslagen. Door de tropenhitte bedierf het opgeslagen vlees snel en werd ook het water brakkig en vies. Zo'n reis was daarom nauwelijks te overleven. Het enige vocht dat in tact bleef was de Hollandse jenever. Je moest in die tijd fysiek wel zeer sterk in je schoenen staan wilde je zo'n zware reis overleven.

4. De VOC ontwikkelt een handelsmonopolie op Banda

Het allereerst bezoek aan de Banda-eilanden van die tijd dateert van 1599 toen admiraal van Warwijck en vice-admiraal Jacob van Heemskerck naar de Molukken en Celebes voeren en met name van Heemskerck de Banda-eilanden bezocht met de schepen Gelderland en Zeeland. Al die verschillende compagnieën van Verre , die tussen 1595 en 1601 met 65 schepen naar Azië voeren, beconcurreerden elkaar echter bij het leven , wat de inkoopprijzen in Azië opdreef terwijl de verkoopprijzen in Holland daalden. De winsten daalden dramatisch en andere landen profiteerden van de onderlinge Nederlandse concurrentie tussen de verschillen compagnieën.

Het is de verdienste geweest van Johan van Oldebarnevelt en Prins Maurits dat daarom in 1602 besloten werd tot oprichting van de eerste Nederlandse Naamloze Vennootschap, de grootste die ons land ooit heeft gekend, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de V.O.C. Met een bestuur van 17 vertegenwoordigers uit de verschillende Handelskamers uit de zeven Hollandse steden die ik eerder noemde : " de Heeren Zeventien". De prestaties van de V.O.C. zijn vermaard en hoef ik voor u niet allemaal op te sommen. Als u met name in de geschiedenis van de VOC geïnteresseerd bent, raad ik u aan het recente standaardwerk "de geschiedenis van de VOC" van Femme Gaastra te lezen . Na dit intermezzo, terug naar het begin van wat ik u vertelde over Pieter van den Broecke.

Het was in dat tijdsgewricht begin 1600, rondom de oprichting van de V.O.C., dat zowel Pieter van den Broecke als Jan Pieterszoon Coen op jonge leeftijd, de eerste in Amsterdam en de tweede in Rome, hun talen leerden en als kinderen uit een bemiddeld koopmansmilieu in die tijd goed geschoold werden in de koopmanskunst. Reeds op jonge leeftijd traden beiden, onafhankelijk van elkaar, in dienst van de in 1602 opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie en ontwikkelde Van den Broecke zich snel tot een bekwaam opperkoopman en werd Jan Pieterszoon Coen reeds op jonge leeftijd in 1619 benoemd tot gouverneur-generaal van Indië. Beide levens hebben lang parallel gelopen. De opperkoopman Van den Broecke streed zij en zij naast J.P. Coen de admiraal , bij de belegering van Jakatra, het huidige Djakarta en zo talentvol als Van den Broecke was in de handel zo bekwaam was Jan Pieterszoon Coen als strateeg en militair. Van den Broecke heeft scheepsjournaals achtergelaten van zijn reizen naar West-Afrika en Indië, die in 1952 bewerkt en uitgegeven zijn door de Linschotenvereniging. Op basis van die journaals kan geconstateerd worden dat opperkoopman Van den Broecke en admiraal Adriaan van Dussen met hun VOC-schip de Nassau mei 1615 het eiland Poeloe Ay, onderdeel van de Banda-eilanden, aandeden en daar enige tijd verbleven. Daar ligt feitelijk de eerst link tussen de Van den Broeke's en de Banda-eilanden.

Het eerste contact tussen de Bandaneze bevolking en de VOC verliep

overigens nogal moeizaam . De VOC wilde net als Portugal in de 16e eeuw koersen op een volledig monopolie van de nootmuskaathandel vanuit Banda, maar de bevolking zelf wilde de handen vrij houden en zelf bepalen wie de aantrekkelijkste handelspartner zou zijn. In die tijd waren namelijk niet alleen de Nederlanders, maar ook de Engelsen regelmatig in de Bandanese wateren te zien en trachtten de Bandanezen met beide naties gelijktijdig handel te drijven. Een van de eerste problemen ontstond bij de volgende gebeurtenis.

De Heeren XII, het bestuur van de VOC te Amsterdam had opdracht gegeven de positie van de VOC vooral in de Molukken te versterken, zoals in het taalgebruik van die tijd gezegd "ende voornaementlyck so recommanderen wy uwe edelen de plaetsen van de Moluques en de eylanden van Banda op 't allerhoochste". Admiraal Verhoeff was in mei 1609 met 250 soldaten aan land gegaan om met de Bandanezen te onderhandelen . Hij wilde hun de inhoud vertellen van een brief die hij bij zich had van Prins Maurits, waarin deze eiste dat voor de eigen veiligheid van de Hollanders, de VOC een vesting op Banda zou mogen bouwen ter bescherming tegen Portugezen en Engelsen en met de opmerking dat deze vesting ook bescherming zou bieden aan de inlanders. De orang kaja's , de dorpshoofden, en hun gevolg wilden hierover beraad en enige dagen later stelden de Bandanezen admiraal Verhoeff voor de kwestie op 22 mei 1609 vriendschappelijk, in kleine kring, te bespreken. Dit was echter een valstrik van de Bandanezen. Verhoeff werd vermoord met zijn gevolg , waarna de overige VOC-bemanning repressailleacties uitvoerde , de bevolking aanviel en veel verwoestingen werden aangericht. Vervolgens bouwde de VOC-bemanning nog hetzelfde jaar 1609 het fort Nassau, waarvan de resten nu nog te zien zijn op het eiland Lonthor.

Ook in de jaren daarna waren er echter nog tal van incidenten. Dat uitte zich zowel in problemen rond de handhaving van het gezag van de Hollanders als in conflicten tussen de VOC en de Engelsen die Banda ook trachten te monopoliseren. Een tweede vesting werd in 1611 door de VOC gebouwd onder de naam fort Belgica. Dit fort is enige jaren geleden door de Indonesische regering gerestaureerd. De fundamentele kolonisatie van de Banda-eilanden was echter in 1621 aan de orde. In Amsterdam had de raadsadviseur Cornelis Matelieff al aan de Heeren XII geadviseerd de Banda-eilanden "met trachtaet ofte gewelt aan de Compagnie te verbinden, op elck landt een cleen fortres opwerpende, met eenig cryghsvolk besettende".

Vanaf 1602 was alleen het eiland Pulau Ay gemonopoliseerd door de admiraal Wolfert Harmenszoon; het eiland Pulau Run was gemonopoliseerd door de Engelsen. De VOC koersde nu echter op een volledig monopolie van de nootmuskaathandel , maar doordat de verhouding met de Bandanezen reeds getekend was door geweld en de VOC dus weerstand kon verwachten van de bevolking, koersde Jan Pieterszoon Coen met 2000 man naar een volledige onderwerping van de eilandbewoners. Wat toen is gepasseerd is gruwelijk en kan in deze tijd uitsluitend getypeerd worden als een "holocaust" onder de Bandaneze bevolking.

Ruim 15.000 Bandanezen zijn op beestachtige wijze vermoord door de Nederlanders. Japanse Samoerai-beulen waren ingehuurd om de 33 dorpshoofden te onthoofden en de lichamen werden in een put op het eiland Lonthor geworpen die nu nog steeds voor de bevolking , om begrijpelijke redenen, een zeer beladen plaats vormt. Een beperkt aantal Bandanezen zijn door de Hollanders gedeporteerd naar Djakarta en klein aantal inlanders wist nog met bootjes te vluchten naar o.a. de naburige Kei-eilanden. De Engelsen , onder de indruk van al dat wapengeweld, stonden vervolgens ook het eiland Poeloe Run, zonder tegenstand af aan de Nederlanders. Daarmee was op basis van een , vanuit de tijd waarin we nu leven, volstrekt af te keuren vorm van imperialisme het hele gebied van de Banda-eilanden vanaf 1621 door Nederland gekoloniseerd. Banda was door deze holocaust volledig ontvolkt.

De reacties vanuit Nederland op de werkwijze van Jan Pieterszoon Coen waren niet gunstig. Laurens Reaal, gouverneur generaal van 1616 tot 1619 zei onder meer: " Door die moord en mishandeling zal Holland voortaan bekend worden als het wreedste land ter wereld.. bovendien behaalt men geen winsten uit een lege zee" en ook de Heren XVII leken geschrokken door de rapporten over Banda. Het meest sprekend is echter het afgrijzen over de zaak zoals een van de soldaten het in zijn journaal formuleerde: "... dit volbracht synde, syn met verbaestheyt ieder vertrocken naer syn quartier, gheen behagen hebbende in sulcken coophandel". Zoals het nu echter ook nog in de wereld gaat, zo ging het ook bij de VOC : slechts één zaak telde eigenlijk maar : de verdere versterking van de eigen economische belangen van Nederland, koste wat kost. Dat was dé centrale koers van de V.O.C. .

Daarbij hanteerde de VOC in geheel Azië zeer rigoureuze methodes. Kon de handel niet goedschiks via onderhandeling met de inheemse bevolking geregeld worden, dan maar kwaadschiks. Wie zich verzette kon dat met de dood bekopen. Een handelsdictatuur pur sang waarbij uitbuiting van de plaatselijke bevolking schering en inslag vormde. Hoewel de VOC aan de ene kant respect afdwingt door de hoge organisatiegraad en zeer ambitieuze handel op Afrika en Azië - ruim 1500 schepen als de Amsterdam en Batavia die nu gereconstrueerd zijn, zijn in die tijd met eenvoudige middelen in 2 eeuwen tijd vervaardigd- moet de andere kant van de medaille ook getoond worden. Een zeer zwarte bladzijde in de geschiedenis van Nederland en Indië als je de zaak bekijkt vanuit een oogpunt van humanitair gedrag tussen volkeren onderling.

Gouverneur Laurens Reaal was in 1619 opvolgd door Jan Pieterszoon Coen die daarmee opklom van admiraal tot gouverneur generaal van Indië. Van Laurens Reaal was bekend dat dit een zachtmoedige menselijke figuur was, dit in tegenstelling tot de uiterst koele strenge strateeg en militair Coen. Ondanks de kritiek op diens handelen in Banda trokken de Heren XII daarvan niet de consequentie door Coen uit zijn ambt te ontheffen als gouverneur-generaal van Indië. Men achtte diens handelswijze blijkbaar toch uiteindelijk in overeenstemming met de wijze waarop de VOC haar machtspositie in Azië wilde versterken. Zo gaat dat ; de Heren XII hielden Coen dus ondanks diens brute daden een hand boven het hoofd.

 

 

 

5. De ontwikkeling van het perkenierssysteem op Banda

Jan Pieterszoon Coen stelde kort na de massaslachting op Banda in 1921 aan de Heeren XII voor stukken land op Banda, nootmuskaatperken die nu eigendom waren van de VOC, te huren aan Hollanders onder de conditie dat zij de VOC daarmee zouden voorzien van nootmuskaat.Daarmee werd rond 1621 feitelijk de start gemaakt met de uitgifte van perken door de VOC en de aanstelling van perkeniers die vanuit Nederland naar Indië getransporteerd werden en de nootmuskaatperken in beheer kregen. Hoewel de perkeniers zich mettertijd als "eigenaars" van de perken beschouwden, waren de perken eigenlijk door de VOC aan de perkeniers verhuurd. Het was voor de VOC een slimme methode om via het perkenierssysteem de toelevering van nootmuskaat aan Holland op die wijze te waarborgen.

De VOC heeft van de perktoewijzing op Banda een zeer nauwkeurige administratie bijgehouden en het is met name de verdienste geweest van de Leidse oudheidkundige Van der Wall, die begin van deze eeuw leefde, dat deze op basis van dit VOC-materiaal een studie kon maken over deze eerste perkeniers op Banda .Die eerste perkeniers , dat was nogal ruig volk, dat was van alles en nog wat. Avonturiers, met een vaak een wat criminele inslag. Uitvaagsel. Mannen met een slechte reputatie die Holland liever kwijt dan rijk was. Er was in de beginperiode constant geruzie over de omvang van de perken en steeds waren er pogingen om het perk en daarmee de eigen inkomsten stiekem uit te breiden. Landje veroveren was een hobby van menig perkenier.

Mijn vroege voorouders waren dus heus niet allemaal van die lieve beschaafde types. Zo moet ik tot mijn schande bekennen dat Van der Wall beschrijft hoe een perkenier Van den Broeke, eigenaar van drie perken en 1200 slaven wegens een vergrijp voor acht jaar aan de ketting werd gelegd door Justitie. Omdat de perkeniers zo vermogend waren verzocht Van den Broeke daarbij een gouden in plaats van ijzeren ketting die hij zelf wilde betalen. Een andere voorvader Paulus van den Broeke die in de eerste perkeniersperiode in de 17e eeuw leefde op Poeloe Ay was zeer rijk en vermogend door de nootmuskaathandel. Hij had 135 slaven en een zeer groot perk.

 

Mogelijk vanwege zijn welstand en de wellicht loommakende tropenzon, vond hij dat hele beheer van zo'n groot perk eigenlijk maar een heel gedoe en vroeg hij de Compagnie of men zijn perk niet van hem terug wilde kopen, wat de compagnie afwees.Toch moet het werk op de nootmuskaatplantages het moreel van de perkeniers uiteindelijk verbeterd hebben, want van der Wal toont aan dat geleidelijk aan de perkeniers zich van een rauw volkje ontpopten tot gedreven gemotiveerde plantagebeheerders waar toch wel een veel beschaafder gedrag bij viel op te merken. Uiteindelijk spreekt Van der Wal zeer lovend over de perkeniers al bijzonder beschaafde en gastvrije lieden met goede manieren en een zeer vriendelijk gedrag. Lubbers zou in deze tijd zeggen: die "kampementen" in de Oost hebben die jonge criminelen uit het begin van de 17e eeuw blijkbaar toch op het rechte pad gebracht.

Omdat Coen ook aan de voortplanting van de perkeniers dacht -zuiver om economische redenen uiteraard- en constateerde dat alleen Hollandse mannen de eilanden bevolkten, werden uit Nederland meisjes en vrouwen gerecruteerd voor Banda. U kunt zich voorstellen, wat voor types dat waren. Even avontuurlijk als de heren die op Banda belandden. Om de stroom vrouwen naar Banda een extra impuls te geven werd zelfs in Nederland bepaald dat meerderjarige weesmeisjes alleen geld uitgekeerd kregen van hun weesmeester als zij zich daarmee zouden vestigen op Banda of in Batavia, Mallakka of Formosa ( de andere VOC-vestigingen ) . Die weesmeesters werden ook wel zielverkopers genoemd. Velen meisjes bleven tijdens de reis naar de Molukken hangen in Batavia en trouwden daar met Hollandse ambtenaren ; slechts weinige meisjes kwamen uiteindelijk in Banda terecht. De meeste huwelijken van perkeniers uit de 17e eeuw werden dan ook afgesloten met inheemse vrouwen.

Uit de perkeniershuwelijken kwamen vele kinderen voort. Van der Wall stelt dat een kinderaantal van 14 voor een perkeniersfamilie bepaalt geen unicum was. Die kinderen huwden weer met kinderen uit andere perkeniersfamilies en uitbreiding van nootmuskaatperken als familiebezit vloeide daar weer uit voort. Slaven om op de perken te werken, verkreeg de VOC o.a. uit Ceram, Borneo , Timor en Maleisië. Doordat perkeniers zelf soms ook uit andere landen van Europa kwamen en veel perkeniers bovendien huwden met eigen slavinnen, ontstond in Banda een ware smeltkroes van nationaliteiten. Ik moet daarbij opmerken dat ik weleens constateer dat Indische families graag bogen op hun erfelijke verbinding met Nederland. Die is er uiteraard wel, maar toch is er natuurlijk ook van een sterke bloedband met inheemse- aziatische volken sprake. Het koesteren van de Hollandse cultuur in de perkeniersfamilies heeft net als elders in Indië een Indo-cultuur in stand gehouden. Zou je de zaken louter etnisch of genetisch onderzoeken, dan doet zich de vraag voor of het Hollandse bloed in veel gevallen niet behoorlijk verdrongen is en in veel gevallen sterke verwantschappen te zien zijn met de inheemse bevolking. Maar goed aan dat onderwerp kan je op zich al een lezing wijden.

Van der Wall stelt zelfs in zijn studie naar de perkeniersfamilies dat een huwelijk van perkeniers met eerbare inheemse vrouwen in de 17e en 18e eeuw meer op prijs gesteld werd, dan een huwelijk met een Europese vrouw, omdat die Europese vrouwen van uitgesproken licht allooi waren. Overigens kostte een huwelijk met een inheemse slavin een perkenier veel geld, want hij moest daarvoor de slavin vrij kopen. Later in de 19e eeuw is overigens te constateren dat meer Europese vrouwen van b.v. Hollanders of Duitsers die zich toen pas op Banda vestigden , zich vermengden met perkeniersfamilies.

Als ik kijk naar b.v. de vader van Wim van den Broeke en ik kijk naar mijn opa, die beiden overleden zijn, dan waren beide vrij lang van postuur, wat in Indië vrij uitzonderlijk was, en hadden zij een tamelijk Europees voorkomen en blauwe ogen ; even goed oogt Wim van den Broeke weer bepaalt Portugees , zoals u straks wel zult zien op de video-band en zie je ook in onze familie die nu in Nederland leeft zowel de meer Aziatisch ogende types als de Europees ogende familieleden. Een tutti-frutti van invloeden dus.

Terug naar de eerste perkeniersperiode.

Het exploiteren van de plantages was geen eenvoudige zaak. Een nootmuskaatboom groeit zeer langzaam en draagt pas na zes jaar vrucht. Pas na twintig jaar is de opbrengst behoorlijk. Iedere perkeigenaar kreeg een aantal slaven toegewezen en moest daarmee zien een zo goed mogelijke opbrengst tot stand te brengen. Om te voorkomen dat er overproduktie ontstond en dit de winst zou doen verminderen in Holland werden op last van de VOC oogsten vernietigd en zogenaamde "hongi-tochten" gehouden waarbij VOC-soldaten op nogal willekeurige wijze nootmuskaatbomen kapten en plantages vernietigden.

Onze eigen familie Van den Broeke begon in de 17e eeuw allereerst met een nootmuskaatperk op het eiland Puloe Ay . Op 5 april 1621 werd de grond daar in 31 perken verdeeld, die samen 775 zielen kende. De Van den Broeke's beheerden op Puloe Ay de perken "Welvaren" en "Westklip". Wie Banda bezoekt kan daar nog de zeer ruime perkeniersplantage van Jan van den Broeke aantreffen en ziet bij het kerkhof ook het grote graf van Paulus van den Broeke , geboren in 1694 en overleden in 1754. Van Puloe Ay belandde de familie Van den Broeke later op de perken Lacqoey en Klein-Midden- en Groot Waling op het eiland Lonthor of Banda Besar. Op Groot-Waling op Lonthor woont nu Wim Van den Broeke, de allerlaatste perkenier, waar ik eerder over sprak . Wim stamt af uit de lijn van mijn bedovergrootvader Willem Frederik van den Broeke.

Andere bekende perken op Lonthor heten b.v. : Weltevreden, Simonwal, Wayer, Spantjebij, en Combir. Bekende perkeniersnamen die nog steeds in Nederland circuleren en afkomstig zijn uit die tijd zijn b.v. : Delmaar, Herrebrugh, Camerlingh, Struby, Leunissen, Versteegh, Hoeke en de Bouville.

De rijkdom van de perkeniers in de 17e en 18e eeuw was zeer behoorlijk. Men wist van gekkigheid niet hoe het geld moest worden gespendeerd. Perkenierswoningen werden met rijksdaalders geplaveid, men liet van allerlei kostbaars naar Banda transporteren . Buitensporige maaltijden werden georganiseerd met dure Europese spijzen en dranken, vergulde rijtuigen, muziekavondjes en danspartijen. Weelde in overvloed vanwege de nootmuskaathandel, die naar alle waarschijnlijkheid vooral de Hollandse perkeniersfamilies een goed leven verschafte en waarvan de vele slaven en inheemse werkkrachten vermoedelijk nauwelijks van konden profiteren . Het enige wat de perkeniers in problemen kon brengen van een plotselinge uitbarsting van de vulkaan de Gunung Api, waarvan de asregen vervolgens de plantages zwart legde en waarbij soms ook delen van plantages door de lavastroom werden verwoest.Op Lonthor hebben we tijdens ons bezoek reusachtige rotsblokken gezien die bij een vulkaanuitbarsting geheel vanuit de Gunung Api over de tussenliggende baai naar het overliggende eiland Lonthor werden gesmeten.

 

 

 

6. Ontwikkelingen op Banda in de 19e en 20e eeuw

In de 19e en 20e eeuw ging het bergafwaarts met de nootmuskaathandel, op een opleving van de handel tussen 1870 en 1890 na. Na de opheffing van de VOC ontstonden ook elders op de wereld aanleverplaatsen van nootmuskaat en kregen de perkeniers steeds minder geld voor hun waren. Bovendien werd de slavernij rond 1860 afgeschaft en moesten de perkeniers hun landarbeiders redelijk onderhouden. Het werd armoe troef. Van der Wall vergelijkt de positie van de perkeniers uit die periode met de fabel van de Lafontaine van de krekel en de mier: "Als de zomer van genoegens voorbij en als de rijkdommen verkwist waren, kwam de winter van ellende en stond de armoede voor de deur. De grote fortuinen waren "zo gewonnen-zo geronnen ."

Dat was dan ook de reden dat velen, zo ook mijn opa met zijn moeder, broer en vier zussen wegtrokken naar Java, wat meer te bieden had. De meeste perken werden eigendom van de Bandanese Perkeniers-en Handelsvereniging. In het geval van mijn opa deed zich daar de tragische omstandigheid voor dat diens vader een geldprijs won en er volgens met een andere vrouw op Ambon van doorging en zijn vader op die wijze zijn vrouw en acht kinderen in de steek liet. Dankzij familie op Java kon het gezin daar op Java begin van deze eeuw weer een bestaan opbouwen en maakte mijn opa carrière van eenvoudige tuinemployé tot administrateur van verschillende suikerondernemingen op Oost-Java. Op die suikerondernemingen zijn mijn vader, mijn hier aanwezige oom Guus en zusters van mijn vader geboren.

Terug naar Banda.

Banda raakte in een isolement en Banda-Neira werd beschreven als de "dode stad". Straten met ruïnes van perkenierswoningen, het kerkje met graven uit de VOC-periode, de VOC-forten en kanonnen bleven over, evenals de oude sociëteit en de gouverneurswoning. Stille getuigen van wat was gepasseerd. Overigens moet ik nog opmerken dat in de 19e eeuw Indië korte tijd in de periode van Raffles in Engelse handen is geweest, wat ook gold voor Banda. De Engelse bezetting van Banda duurde echter slechts twee jaar maar had wel als gevolg dat de Engelsen alles wat van hun gading was meenamen en de perkeniers in armoede achterlieten. Met steun vanuit het goevernement in Djakarta is toen steun aan de perkeniers verleend om de zaken weer op te bouwen.

In de 20e eeuw werd Banda voor de tweede wereldoorlog het verbanningsoord voor de Indonesiërs die zich kantte tegen de Nederlandse koloniale overheerser. Bekende Indonesiërs als Mohammed Hatta en Sutan Sjahrir hebben er in de dertiger jaren verbannen gezeten. Wim van den Broeke en Des Alwi hebben in die periode als kind nog schoolles gehad van Sutan Sjahrir en Hatta. Na de onafhankelijkheidstrijd werden alle eigendom genationaliseerd ; pas na jaren van overleg met Djakarta is Wim van den Broeke er enige jaren geleden in geslaagd het perk Groot-Waling weer geheel in familiebezit te krijgen.

Tot slot wil ik het nog kort hebben over het hedendaagse Banda en wat er verder zoal aan wetenswaardigheden over dit onderwerp verder te melden zijn.

7. Het hedendaagse Banda

Nu Banda sinds een aantal jaren over een eigen vliegveldje beschikt en Des Alwi, door velen betiteld als de koning van Banda, heer en meester is over dit gebied ontstaan er nieuwe risico's voor de bevolking. Banda ligt er nu nog paradijselijk bij. De bevolking leeft van visvangst ( zwaardvis, makreel, baracuda, snoek en tonijn o.a.) en kleinschalige handel. Er is maar zeer weinig autoverkeer en de eilanden zijn gespeend van milieuproblemen of industriële vervuiling. Op Banda rijden in totaal maar vier auto's ! Op de eilanden groeien volop vruchten . Er zijn alleen al 23 soort bananen. Er is klapper, mango, ananas en in het dessert wordt vaak jam verwerkt, die bereid is uit het vruchtvlees waarin de nootmuskaat groeit. Van de wereldproduktie van nootmuskaat van 10.000 ton levert Indonesië 7.500 ton en Granada in Zd-Amerika de resterende 2.500 ton. Zo'n fantastische plek blijft echter niet onopgemerkt en met name toeristische organisaties zijn in de afgelopen jaren meer en meer geïnteresseerd geraakt in het gebied. Des Alwi wakkert dat ook aan en ziet zijn luxueuze hotel Maulana Inn natuurlijk ook graag druk bezocht met Australisch- en Amerikaanse toeristen. Behalve Des Alwi's hotel telt Banda nog een beperkt aantal logementen. Verdere uitbreiding van het toerisme is een riskante optie, omdat zo'n gebied juist door z'n beperkte schaal dan in no time een soort Aziatisch Rodos dreigt te worden met alle cultuurverloedering van dien.

Van de ruim 500.000 nootmuskaatbomen van destijds zijn er nu nog slechts 150.000 bomen over en wordt dat aantal niet vermeerderd waardoor de werkgelegenheid zich naast visvangst zou kunnen blijven concentreren op de nootmuskaathandel dan zal men uit lijfsbehoud zich al gauw trachten te richten op andere vormen van werkgelegenheid. De gezinsinkomens zijn laag en de meeste mensen hebben net genoeg om te eten ; wie een eigen huis heeft is gezegend . Het is onder die omstandigheden verleidelijk om het toerisme op Banda te versterken. Nogmaals het gebied is er echter te klein voor en een overmaat aan toerisme zal het eilandengebied geen goed doen.

8. Bandaneze cultuuruitingen

Opvallend aan Banda is dat de huidige bevolking die , zoals u uit het voorafgaande zult begrijpen, niet afstamt van de oorspronkelijke bevolking ( die is immers nagenoeg uitgemoord door de VOC in 1621), toch in haar rituelen de strijd met de Hollanders van begin 17e eeuw regelmatig uitbeeldt. In de zogenaamde Tjakeleledans, die u op een van de video's straks uitgevoerd ziet, wordt de strijd van Bandanezen met Portugese helmen getooid opgevoerd. Volgens de adat moet via dat ritueel eer verschaft worden aan de voorouders, terwijl de huidige bevolking daar feitelijk niet van afstamt. Een vreemd iets. In een klein museum op Banda-Neira kunt u nog alles aantreffen wat met de kolonisatie van zowel de Portugezen als Nederlanders te maken heeft. De verschillende eilanden zijn net als in vorige eeuwen ook nog uitgerust met zogenaamde kora-kora-boten , langwerpige oorlogsprauwen geschikt voor veertig roeiers, waarmee men destijds de vijand te lijf ging.

Een grappig gegeven is voorts dat in het taalgebruik veel woorden sterker Nederlands beïnvloed zijn dan elders in Indonesië. Een woord als brood b.v. in het Maleis "roti" wordt op Banda als "brot" uitgesproken. Een heel Bandanese gewoonte is de wijze waarop men iemand begroet als men hem of haar per boot bezoekt. De roeier pakt dan een hoorn, waardoor hij roep "kapaloe" gevolgd door de naam van de persoon die hij komt bezoeken. Dan volgt een langgerekte kreet "Kotjekoooii" . Bij het afscheid nemen gaat het net zo.

Op mijn eigen videoband, die u straks kunt zien van ons familiebezoek in '92 aan Banda , ziet u hoe mijn oom Guus op die wijze vanuit de boot Wim van den Broeke begroet als wij per boot over de baai voor het eiland Lonthor diens plantage Groot-Waling naderen.

9. Literatuurtips

Tot slot nog enige literatuurtips.

Ik sprak daar straks over Hatta en Sjahrir, die voor de oorlog naar Banda verbannen waren. In zijn boek "Indonesische Overpeinzingen" beschrijft Sjahrir Banda op zeer boeiende wijze. Kan ik u aanraden. Diverse andere schrijvers wil ik ook niet onvermeld laten. Rudy Kousbroek heeft Banda in een artikel in het NRC zeer fraai beschreven en ook noem ik natuurlijk Ena Stok van Nes die de roman "Het geurend goud van Banda" schreef en op deze zelfde plek vorig jaar op de Pasar Malam sprak. Zij weet in haar boeken op basis van de feitelijke historische gegevens Banda als het ware weer tot leven te brengen voor de geïnteresseerde lezer. Francois Valentijn, kroniekschrijver en predikant uit de 17e eeuw heeft Banda prachtig beschreven in zijn fraaie geschrift " Oud-en Nieuw Oost-Indiën", waarin hij ook een onderhoud met perkenier Van den Broeke op Pulau Ay vermeld, zittend bij een door de bliksem vernietigde Mangaboom. Ook de blinde ziener uit Ambon Rumphius heeft Banda veel beschreven. Volgend jaar zal van de schrijver van der Berg nog een boek verschijnen over de neergang van de economie op Banda op eind van de vorige eeuw. Persoonlijk vind ik de beschrijvingen van de Leidse oudheidkundige Van der Wall van 1920 het fraaist.

Voor wie meer wil zien over Banda: in de RTV-tent zijn na mijn lezing, van-af 21.00 uur een drietal video-banden te zien over onze familie en Banda . Hoewel ik mijn voordracht heb toegespitst op de geschiedenis van Banda krijgt u via die video-banden m.i. ook een aardige indruk van de situatie zoals die nu feitelijk is op Banda. De moeite van het bekijken dus waard. Heeft u nog specifieke vragen die u mij wil stellen dan kan dat straks ook nog. Wat betreft de situatie in Nederland wil ik u nog op attenderen op het Bandanees Familie Archief van Marcel Leunissen dat tal van gegevens bevat over de diverse perkeniersfamilies en in Den Haag is gevestigd . Marcel Leunissen is in de zaal aanwezig en ik weet dat hij perkeniersfamilies uit Banda graag met raad en daad terzijde staat bij de speurtocht naar hun roots dus klamp hem straks maar even aan. Met een tekst van de oudheidkundige Van der Wall uit "De Nederlandse Oudheden uit de Molukken" wil ik deze voordracht over de historie van Banda besluiten, waarin Van der Wall op poëtische wijze beschrijft hoe de vele perkeniersfamilies uiteindelijk Banda begin van deze eeuw verlieten, zoals ook onze eigen familie Banda noodgewongen moest verlaten.

"Zo werd dan stuk voor stuk het eeuwenoude familiebezit, dat steeds met hun bestaan was verbonden, verkocht . Verlaten werden de ruime woningen, waarin een gehele generatie van perkeniers leefde en stierf ; aan vreemden werd overgelaten de zorg der dooden ; eenzaam stonden daar de notebomen, eens door de hand der vaderen geplant. Geen landelijke feesten meer in de koele bossen, geen wandelingen meer onder de lommerrijke lanen, geen kinderlijke spelen meer op de zacht glooiende grasvelden voor het ouderlijke huis. Dat alles was voorbij, voor altijd voorbij. Met brekend hart verlieten vele van de perkeniersfamilies hun geliefde perken, kort daarna zelfs Banda, hun geboortegrond. Het moet hun veel, o, zoveel hebben gekost het dierbare eiland te verlaten en smartelijk was het afscheid van het vriendelijke stedeke met beide kastelen, van de groene heuvels, de schilderachtige bossen, de geur van foelie en nootmuskaat, ja, van nog zoveel meer, dat met zich om droeg de herinneringen van een gelukkige jeugd. En velen, jong en oud, waren tot schreiens toe bewogen, toen het ogenblik kwam, dat de Banda-eilanden nog slechts als een nevelige streep aan de horizon zichtbaar waren en de Goening Api als laatste groet een rookpluim omhoog zond....

Zij vertrokken en verspreidden zich naar alle windstreken. "

Met respect voor wat mijn voorvaderen daar verricht hebben, heb ik met veel plezier voor u -in vogelvlucht- verteld , wat er zich zoal op Banda heeft afgespeeld in de afgelopen eeuwen en hoezeer Nederland in oudheidkundig opzicht verbonden blijft met dat gebied. Ik hoop dat ik bij u met deze lezing een stukje interesse heb gewekt voor Banda en u wellicht denkt dáár moet ik toch ook eens naar toe. Ik dank u voor uw aandacht.

-0-0-0-0-