Bij fouten in de voeding ontstaan op korte en soms op de langere termijn problemen. Deze kunnen te maken hebben met een tekort (deficiënties) of een teveel (intoxicatie) van een bepaalde stof.Voeding kan op vele manieren invloed hebben op het ontstaan van ziekten.
- Onvoldoende voer of water
- Onvoldoende aangeboden
- Voer of water onbereikbaar, niet herkend als zijnde, niet opneembaar
- Te hard, bijvoorbeeld voor oudere dieren
- Verhoogde behoefte als gevolg van dracht, lactatie, hitte, koude, dieetsamenstelling of - - ziekte
- Competitie voor voer/water
- Bevroren water
- Onvoldoende kwaliteit
- Verkeerde samenstelling (voornamelijk met betrekking op eiwit, zetmeel en vezels)
- Bedoeld voor een andere diersoort
- Niet palleteerbaar
- Achteruitgang door tijd of opslag
- Gecontamineerd door insecten, schimmels, bacteriën, (eieren van) parasieten, urine of faeces
- Dieetwijzigingen
- Voedsel niet herkend door dier
- Verandering van intestinale flora door dieetwijzigingen of antibioticumgebruik
- Verandering in de gastrointestinale flora als gevolg van spenen
Vaak bestaat het hoofdbestanddeel van de voeding uit koolhydraten. Er zijn heel veel verschillende koolhydraten, deze zullen hier niet besproken worden. Koolhydraten kunnen van dierlijke oorsprong zijn zoals lactose en glycogeen en vele zijn van plantaardige oorsprong.
Voedingsvezels zijn die koolhydraten die niet door de diereigen verteringssappen kunnen worden gehydrolyseerd. Het bestaat in essentie uit lignine (geen koolhydraat), pectine, hemicellulose en cellulose. De passagesnelheid van voedsel zal in het algemeen toenemen als de concentratie voedingsvezel verhoogd wordt. Dit kan blootstelling aan schadelijke stoffen zoals amines verkorten, maar ook de opname van andere stoffen verminderen. Bij dieren op dieet zorgt de voedingsvezel voor een verzadigingseffect, of dit nu het gevolg is van de vulling van het maagdarmkanaal of door de fermentatie op zich, is nog niet duidelijk.
Hoeveel voedingsvezel een rat in zijn dieet moet hebben is helaas niet bekend.
In de voeding zitten vetten (vast bij kamertemperatuur) en oliën (vloeibaar bij kamertemperatuur). Vet is onmisbaar in het dieet van de rat, er zijn een aantal essentiële vetzuren die opgenomen moeten worden. Om als voorbeeld linoleenzuur en alfa-linoleenzuur te nemen, deze zijn de precursers van prostaglandinen, leucotrienen en thromboxanen, ze dienen daarnaast ook als bouwsteen voor celmembranen. Een andere belangrijk punt van vetten is dat de absorptie van de vetoplosbare vitaminen (A,D,E en K) afhankelijk is van de vetabsorptie. Voor dit laatste hoeft het vetgehalte in de voeding niet hoog te zijn. Een verhoging van het vetgehalte in voeding zal het energiegehalte van het voer doen stijgen. Dit is het gevolg van het feit dat 1 gram vet veel meer energie bevat dan 1 gram eiwit of koolhydraat. Een verhoging van het vetgehalte is de manier om het energiegehalte van voeding te verhogen. Vetten worden opgenomen door middel van micellen, met uitzondering van de vluchtige vetzuren. Onverzadigde vetzuren zijn meer polair dan verzadigde en worden daardoor makkelijker in micellen opgenomen, kortketen vetzuren worden als gevolg van hun minder waterafstotende karakter ook makkelijker opgenomen in micellen dan langketen vetzuren. Langketen vetzuren die op de middelste plaats zitten in het triacylglycerol worden niet afgesplitst, maar als monoacylglycerol geabsorbeerd, zo kan dus een verzadigd vetzuur beter opgenomen worden.
Door verhitting of oxidatie kunnen vetzuurketens aan elkaar gekoppeld zijn, dan word de vertering door de darmwand vrijwel tot nul gereduceerd. Deze polymere vetzuren of triacylglycerolen kunnen onder andere voorkomen in onvoldoende gestabiliseerd vismeel, afgewerkte frituurvetten en in destillatieresiduen. Deze polymeren zijn schadelijk voor de rat.
De vetvertering neemt af als het ruwe celstofgehalte in de voeding omhoog gaat, dit komt door een minder goede lipasewerking. Bij een hoog gehalte aan Ca of Mg in de darm vormen deze mineralen zepen met de vrije verzadigde vetzuren, waardoor de opname in micellen onmogelijk word en dus de verteerbaarheid van de verzadigde vetzuren afneemt.
Dan zijn er uiteraard ook factoren van het dier zelf die de vetvertering beïnvloeden, zoals ziekten (EPI) en bij jonge dieren is de resorptie van galzouten nog niet optimaal en de werking van de lipase-activiteit meer gericht op de afbraak van melkvet.
Bij de rat heeft 5% vet in het voer nodig, als uitgegaan wordt van een beschikbare energie van 4 kcal/g.
Er zijn ongeveer 20 aminozuren bekend, deze zijn nodig voor de synthese van eiwitten. Er is bij de aminozuren een verdeling tussen essentiële en niet essentiële aminozuren. De essentiële moeten met de voeding opgenomen worden omdat deze niet door het dier zelf gemaakt kunnen worden. De niet essentiële aminozuren moeten ook in het voer zitten, zodat bij de synthese van deze niet essentiële aminozuren niet de essentiële gebruikt hoeven worden.Voor een optimaal gebruik van eiwit is een bepaalde verhouding tussen essentiële en niet essentiële aminozuren gewenst. Dierlijke eiwitten bestaan voor ongeveer 40% uit niet essentiële aminozuren.
Voereiwit kan slecht verteerbaar zijn door bepaalde factoren, de Anti Nutritionele Factoren genoemd (ANF’s), voorbeelden zijn: trypsine inhibitoren, lectinen en tannines. Door overmatige verhitting kan voereiwit ook onverteerbaar worden.
Trypsine-inhibitoren en lectinen komen onder andere voor in sojabonen. Tryspine inhibitoren zorgen dat er een minder eiwitsplitsende werking van het trypsine mogelijk is. Door een adequate verhitting kunnen deze inhibitoren onwerkzaam gemaakt worden. Lectinen doen weer iets anders, deze binden zich aan de suikergroep van de glycoproteïnen het darmepitheel en beschadigen zo het darmslijmvlies. In het wit van rauwe eieren zit Avidine, welke zich bind aan het vitamine biotine en verlaagd zo de biotinebeschikbaarheid. Door verhitting kan ook deze werking ongedaan gemaakt worden.
Men spreekt vaak over de kwaliteit van de voereiwitten, deze kwaliteit bestaat uit de verteerbaarheid en het aminozuurpatroon.
Voor de rat is aardig bekend welke eiwit en aminozuurbehoeften er zijn, grofweg is er 15% eiwit nodig in het dieet van een jonge groeiende rat, mits de aminozuursamenstelling overeenkomt met de behoeften van de rat.
De volgende keer zal ingegaan worden op deficiënties en intoxicaties met betrekking tot de voeding van de tamme rat. |