Stamboom van Schagen

                    Stamboom - Info - Beroepen - Schepen

Home Stamboom   |   Wat is wat nu?   |   Achtergrond info   |   Beroepen   |   Voorouders   |   Links


Schepen (v. Middel-Ned. sceppen = in orde brengen), van in de middeleeuwen tot het einde van het ancien régime (ca. 1795) in de Nederlanden een ambtenaar die deel uitmaakte van een college van voor het leven gekozen oordeelvinders, dat zijn ontstaan te danken had aan de hervorming van de Frankische gerechtelijke organisatie door Karel de Grote. De schepenen (Lat.:scabini) hadden tot taak op de rechtszittingen van het volksgerecht (zie ding) het vonnis voor te stellen, dat vervolgens de bevestiging van de aanwezige volksgenoten nodig had om van kracht te worden.

1. Eerste Vermelding
De eerste schepenen worden in onze gewesten vermeld in 768. Later zijn de schepenen ook oordeelvaststellers geworden, doordat de verplichting van de volksgenoten om de rechtszittingen bij te wonen (dingplicht), verviel. Het college van schepenen, schepenbank genoemd, wordt voor het eerst vermeld in Vlaanderen in de 11de eeuw en was bevoegd over een kasselrij.

2. Bevoegdheden en functies
Andere schepenbanken, voor vorsten, heren, abdijen en gemeenten, ontstonden vanaf de 12de eeuw. Zij konden in het bezit zijn van de hoge, midden of lage rechtspraak en vonnisten zowel in civiele als in criminele zaken, met uitzondering van die gevallen die aan de vorst waren
voorbehouden. De schepenen waren ook bevoegd inzake de vrijwillige rechtspraak, dwz. dat allerhande overeenkomsten en verbintenissen voor hen werden gesloten en geregistreerd.

In Vlaanderen waren zij tevens oppervoogden over de wezen. De schepenen waren ook de bestuurders van steden, dorpen en heerlijkheden, voornamelijk in Vlaanderen, maar ook in Brabant, Holland, Zeeland en Utrecht. Als college vaardigden zij reglementen uit, waren zij
verantwoordelijk voor de openbare orde en voor de financiën, verdeelden zij de belastingen onder de inwoners en lieten zij openbare werken uitvoeren. Zowel in hun rechterlijke als in hun bestuurlijke functie dienden zij samen te werken met de vertegenwoordiger van de landsheer, die in Vlaanderen baljuw, elders schout, meier of amman werd genoemd.

Oorspronkelijk voor het leven benoemd, werden de schepenen vanaf de 13de–14de eeuw voor de duur van een jaar benoemd. Tijdens de 18de eeuw keerde men praktisch terug tot de benoeming voor het leven. De schepenen trokken geen wedde; wel ontvingen zij belangrijke vergoedingen, geschenken of presenten en genoten zij talrijke vrijstellingen. In stad en land berustten bestuur en
rechtspraak in het ancien régime dus op een permanente samenwerking tussen de bevolking, vertegenwoordigd door haar schepenen, en de vorst, vertegenwoordigd door zijn ambtenaar. Deze evenwichtige regeling verdween met de Franse Revolutie.