12 januari 2010

NEC – UniZVV 4 

 

Glad

 

Wie geboren en vooral getogen is in Zutphen zal hoogstwaarschijnlijk eens op de ijsbaan zijn geweest van de Zutphensche IJsvereeniging. ’s Winters wordt de weide pal naast mijn oude basisschool onder water gezet, zodat een flinke ijsvloer ontstaat, ingeklemd tussen de Berkel, de Leeuweriklaan, de Valckstraat en, jawel, de IJsbaanstraat. Ook in mijn jeugd, en gezien de archaďsche schrijfwijze van de verenigingsnaam al veel eerder, togen jong en oud, het lidmaatschapsbewijs met een veiligheidsspeld op jas of dikke trui bevestigd, naar het provisorische houten clubhuis. Te midden van vele paren schoenen, diverse, veelal wollen, kledingstukken en in een dikke, zuurstofarme naar chocola en zweet geurende damp werden op de afgebladderde bankjes de schaatsen ondergebonden.

 

Zelf begon ik met authentieke Friese doorlopers, waarop ik maar moeizaam vooruit kwam. De lol van dat geploeter op het ijs drong niet tot mij door en ik was altijd opgelucht als ik weer vaste grond onder mijn voeten voelde. Mijn ouders deden nog een poging door mij op mijn 11de verjaardag een paar ijshockeyschaatsen en een stick te geven, maar tussen de oudere, behendige jongens op het ijshockeybaantje was op de been blijven al moeilijk genoeg. Later kocht ik nog een paar noren van het zoontje van de rector van het Baudartius College, maar het kwaad was al geschied. Schaatsen werd niet mijn ding, zoals dat tegenwoordig heet. Zwemmen trouwens ook niet, in het water ervaar ik dezelfde verveling als bovenop de bevroren vorm.

 

Toch was ik enigszins jaloers toen ik Paul en Erik na onze zaalvoetbalwedstrijd tegen UniZVV een afspraak hoorde maken om de volgende dag te gaan schaatsen op de Loosdrechtse plassen. Of de Vinkeveense. Of allebei. Zo’n fijne tocht op spiegelglad ijs, zwierend door in het zonnetje door de vrije natuur. Koek, zopie en ook alcoholische versnaperingen, een aantrekkelijk beeld. Maar denkend aan de immer loszittende doorlopers, de vervaarlijk rondvliegende ijshockeypuck en vooral de pijn in de enkels door noodzakelijkerwijs strak aangesnoerde noren neem ik tevreden een slok Koninck en zeg: “Gelukkig maakten we nog gelijk.”

 

Beide schaatsfanaten keken me verstoord met een glazige, ja ijzige blik aan. Maar toen herinnerden zij zich ook Eriks voorzet, Jeroens hakje en Patricks striemende schot hoog in het doel: 6-6 in de laatste minuut. Echt blij waren we niet, want we hadden een 4-1 voorsprong na de rust in korte tijd uit handen gegeven. Opeens stond er 4-6 op het scorebord in het voordeel van de toch niet al te virtuoos ballende jonge studenten. We verdedigden zeer matig en Sjoerd greep een paar keer onbegrijpelijk mis, stuntelend als de Spaanse schaatser Antonio Gómez op het Europees Kampioenschap van 1978, waar hij overigens wel een persoonlijk record op de 1500 meter reed: 2.32,16. (Huiskamervraag: wie werd toen Europees Kampioen bij de mannen?).

 

De veerkracht die we in de slotfase toonden was hartverwarmend en hoopgevend en wellicht ook een bewijs dat we dit seizoen als ploeg gegroeid zijn. Erik slalomde langs enkele tegenstanders als Evert van Benthem, die in twee Elfstedentochten alle wakken wist te vermijden, en scoorde met een droge knal zijn derde treffer van de avond. Met de ultieme gelijkmaker pakten we toch nog een punt, maar het echte bevredigende gevoel bleef uit. Dat kwam voor Erik en Paul de volgende dag ongetwijfeld op het Noord-Hollandse ijs. De rest van de ploeg moest een week wachten tot de volgende zaalvoetbalwedstrijd. Of misschien wel tot Vancouver, waar Sven Kramer drie gouden medailles gaat winnen. Da’s nogal glad.

 

Gerard