2 december 2009

NEC – DZV 4

 

De S-Factor

 

Scheidsrechters zijn er in alle soorten en maten. Ze variëren in lengte, huidskleur, humor en lenigheid, maar er is één gemeenschappelijke eigenschap. Het is moeilijk om een goede omschrijving te geven voor die eigenschap. Laten we het maar de S-factor noemen.

 

Niemand wordt scheidsrechter vanwege zijn plezier, net zoals je bijvoorbeeld ook niet uit vrije wil je leven gaat slijten als boekhouder. Een scheidsrechter is vrijwel altijd de gebeten hond. Bij veel beslissingen voelt een van de beide teams zich benadeeld, en helaas is voetbal een sport waarbij het gangbaar is dat men zijn ongenoegen kenbaar maakt. Nu valt dat bij zaalvoetbal wel mee, als je het tenminste vergelijkt met veldvoetbal, waar meer spelers op het veld rondlopen en ook meer fysiek contact geoorloofd is, waardoor de adrenalinespiegel veel sneller tot alarmerende hoogte stijgt. Echte verbale uitspattingen komen bij zaalvoetbal gelukkig niet of nauwelijks voor. Maar het andere uiterste, dat een scheids wordt overladen met complimenten, is al net zo’n zeldzaamheid.

 

Dat komt natuurlijk omdat maar weinigen zich kunnen identificeren met een scheids. Vrijwel geen mens ziet er de lol van in om vijftig minuten lang twee teams van zwetende mannen uit elkaar te houden. Een scheids is daarom meestal onbegrepen, en soms ook een beetje eenzaam. Juist bij een wedstrijd gaapt er een diepe kloof tussen de dolende eenling en de collectieve spelvreugde bij de spelers. Maar als je er tussen loopt, zo stel ik mij voor, dan hoor je er toch een beetje bij. Je maakt precies dezelfde wedstrijd mee, alleen heb je een andere rol. Je voelt de spanning van de wedstrijd, de energie van de spelers, en troost jezelf met de gedachte dat jij temidden van dit strijdgewoel de baas bent. Vaak wordt gezegd dat scheidsrechters thuis niets te zeggen hebben, maar dat is een te makkelijk cliché. Ik denk wel dat scheidsrechters in sociaal opzicht wat anders in elkaar zitten dan normale mensen: ze zoeken compensatie voor een weinig dynamisch bestaan, en ervaren geen last om dit te doen op een manier waarop je het risico loopt om bekritiseerd, beschimpt en verguisd te worden. Dat zal dan wel de S-factor zijn. Bovendien zijn ze vaak belerend, soms zelfs arrogant, maar zoals zovaak met extremiteiten is dat om het tegenovergestelde te maskeren, in dit geval onzekerheid.

 

We hebben in de loop der jaren een hoop scheidsrechters meegemaakt. Op ons niveau krijgen we natuurlijk niet de beste, maar echt slecht fluiten ze nooit. Behalve dan die ene keer in Arnhem, toen we tegen onze voornaamste concurrent speelden en de scheidsrechter volledig de weg kwijtraakte. Elk fluitsignaal kwam als een verrassing, net als de keuze aan wie de vrije trap werd gegeven. Om erger te voorkomen hadden we met de tegenstander afgesproken om ons bij elke beslissing neer te leggen. De wedstrijd werd een loterij die gelukkig geen verliezer kende: we speelden gelijk.

 

De scheids die ons floot in afgelopen wedstrijd in Dodewaard, had onmiskenbaar de S-factor. Al toen wij het veld opkwamen maande hij ons dat we wel erg laat waren met het invullen van het wedstrijdformulier. ‘Ik zag jullie al een half uur geleden binnenkomen,’ beet hij ons toe. Ook in de wedstrijd was hij behoorlijk dominant, maar wel verpakt in een collegiaal jasje. ’Jongens, zullen we dat niet meer doen? Straks blesseert iemand zich nog!’ Net iets te amicaal om serieus te nemen. ‘De bal moet op de lijn liggen. Als we daar nu eens gewoon allemaal op letten, zo moeilijk is het toch niet?’ Dat toontje leren ze vast op de KNVB-cursus. Tegenwoordig zie je op topniveau de scheidsrechters ook allemaal lachen. Eerst fluiten, streng kijken, en daarna lachen. Daar zal vast een studie naar gedaan zijn. Voetballers protesteren heftig, de scheids lacht en de adrenaline daalt weer. Behalve als je Godver zegt, zoals Patrick deed. Dat vinden ze niet leuk in een gereformeerd nest als Dodewaard. Vanaf dat moment keerde de scheids zich tegen ons. Zo keurde hij een zuiver doelpunt af omdat Patrick de keeper zou hebben gehinderd, terwijl het precies andersom was.

 

Maar floot de scheids echt tegen ons? Dat geloof ik niet. Het is natuurlijk makkelijk om de scheids de schuld te geven, vooral als je verliest. Want dat deden we, en flink ook. Nee, ik vermoed toch een ingreep van hogerhand. Dat gevloek van Patrick heeft de Heer vertoornd. Met de rust stonden we kansloos met 5-0 achter. De scheids was niet de boeman: hij was alleen bezig met het zo goed mogelijk uitoefenen van zijn taak, en dat deed hij eigenlijk best aandoenlijk. Toen we in de rust uit pure lamlendigheid en schaamte op onze eigen bank bleven zitten, maande de scheids ons alsnog tot de gebruikelijke bankruil. ‘Ik kan er ook niks aan doen. Dat zijn regels van de FIFA, die worden overgenomen door de KNVB en daar moeten wij dan weer naar luisteren. Ik heb in het verleden dat vaker toegelaten bij lagere elftallen. Kreeg ik een aantal weken later een brief in de bus dat dit de laatste waarschuwing was.’ Nee, aan de scheids lag het niet, ook niet dat we verschrikkelijk tegen onszelf aan het voetballen waren en nog heel erg ons best moesten doen om niet compleet te worden afgedroogd. ‘Geen wegwerpgebaar!’ riep de scheids ons nog vermanend toe. En ‘Eigen sportiviteit!’ toen we dachten dat de bal over de zijlijn rolde, aan de overkant van waar de scheids stond. Uiteindelijk mochten we de Heer op onze blote knieën danken dat het maar 6-3 is gebleven. Een les in nederigheid en acceptatie, hoewel niet iedereen in het team daar over zal denken. Het bleef ijzig stil in de kleedkamer.

 

En de scheids? Die mocht daarna weer gewoon naar huis, zijn S-factor koesteren.

 

‘Scheids bedankt, goed gefloten.’

‘Ach ja, ik doe ook maar mijn best.’

 

Paul