17 november 2008

NEC – ESA 2,  1-9

 

Minister Maxime Verhagen is een paar dagen geleden met een koffer vol grieven naar Marokko afgereisd. Met zijn strengst mogelijke CDA-gezicht waarschuwde hij zijn Marokkaanse collegaminister dat ze zich in Marokko niet moesten bemoeien met Nederlandse aangelegenheden. Uit het saaie attachékoffertje van Verhagen sprongen beschuldigingen van ophitsende imams en zelfs spionage. Uiteindelijk bleek het vooral politieke krachtpatserij en werd een verzoenend verdrag getekend.

 

Waar zouden ze het over gehad kunnen hebben, onze Maxim en zijn collega Taïb Fassi Fihri? Over randgroepjongeren en integratie? Over buurtwerkers en loverboys? Of over de gouden toekomst van het Marokkaans-Nederlandse voetbal? Daar is nog grote winst te boeken. Eén van de problemen bij Marokkaanse Nederlanders is de keuze die ze moeten maken voor het land waarvoor ze willen spelen: kiezen ze voor het Nederlands elftal waar ze misschien nooit voor geselecteerd worden, maar wel internationale faam mee kunnen verwerven, of kiezen ze voor het veel toegankelijkere Marokkaanse elftal, dat internationaal nauwelijks potten breekt? Boulahrouz en Affelay hebben voor het eerste gekozen, en waren daarmee de eerste Marokkaanse Nederlanders in Oranje.

 

De eerste beroemde Marokkaans-Nederlandse voetballer was Yassine Abdellaoui, die in 1992 debuteerde bij Willem II. Abdellaoui was een ongrijpbare speler, niet alleen voor de tegenstanders maar vooral ook voor zijn trainers. Na een tussenstop bij NAC en een kort avontuur in Spanje belandde hij bij NEC, waar hij na zes wedstrijden alweer vertrok. Zijn laatste wapenfeit in het Nederlandse betaalde voetbal dateert van 15 januari 2004, toen hij in het trainingscomplex van de Graafschap zijn roes uitsliep na een wat al te intensieve uitgaansavond. Hij werd op staande voet ontslagen en vertrok naar Marokko. Abdellaoui vertegenwoordigt de eerste generatie Marokkaanse voetballers die moest vechten voor erkenning. Dat sloeg af en toe door naar de verkeerde kant. In 2003 werd hij samen met Geoffrey Prommayon en Adil Ramzi opgepakt, op verdenking van het witwassen van drugsgeld bij een sigarenhandelaar. Ze kwamen snel vrij, maar Prommayon en Abdellaoui moesten begin dit jaar zich alsnog verantwoorden voor de rechter.

 

Inmiddels zijn er tientallen Marokkaanse Nederlanders actief op het hoogste voetbalniveau. Je zou daar een aardige petje-op-petje-af-quiz van kunnen maken, en er bovendien nog een behoorlijk elftal van kunnen samenstellen: Boutahar (Willem II), Bakkati (Go Ahead Eagles), Boukhari (Al-Ittihad Djedda, Saoedi-Arabië), Mariana (Willem II), Diba (Al Wakrah, Qatar), Hadouir (Roda JC), El Hadrioui (AZ), Aissati (Ajax), Sektioui (FC Porto), Ramzi (Al Wakrah, Qatar), Mokhtari (FSV Frankfurt), Elkhattabi (AZ), Boussaboun (FC Utrecht), Barakat (FC Den Bosch), Touzani (Sparta), Boulahrouz (VFB Stuttgart), Ouaddou (AS Nancy-Lorraine), El-Akchaoui (NEC), Afellay (PSV), Boussoufa (RSC Anderlecht), El Hamdaoui (AZ). Tarik Oulida, ooit talent bij Ajax en protegé van Cruijff, is gestopt na een Japans avontuur. Keeper Sinouh (ex-AZ) is clubloos. Mohammed Allach is de eerste Marokkaanse Nederlander in de technische staf: eerst bij VVV, nu bij Twente.

 

Wat is nu het geheim van deze voetballers? Hoe kan een relatief kleine gemeenschap van 350.000 Nederlandse Marokkanen zoveel vaardige spelers leveren? Het antwoord ligt op straat. Waar ‘autochtone’ kinderen steeds meer kiezen voor spelcomputers en kunstgras, spelen Marokkanen nog echt op straat. Dat is hun cultuur. En daarom pingelen ze van oudsher ook zoveel. Wat de nieuwe generatie Marokkanen zo gevaarlijk maakt, is dat ze Marokkaanse techniek gaan combineren met ‘Nederlands’ tactisch inzicht. Oftewel: ze leren om over te spelen.

 

En dat, dat is precies wat ons afgelopen dinsdag overkwam tegen ESA. Waar we vroeger makkelijk standhielden tegen egoïstisch pingelende Marokkaantjes, werden we nu aan alle kanten afgetroefd door technische en tactische superioriteit. De 1-9 uitslag is misschien wat geflatteerd, maar zeker verdiend. Vertwijfeld zochten we nog naar excuses – de vele afzeggers, een stroeve vloer, conditiegebrek, het ontbreken van Sjoerd en de reservekeepers Wim, Jan en Gerard – maar de werkelijke reden is even bitter als ontnuchterend: ze waren gewoon beter.

 

Jammer dat Maxime Verhagen de wedstrijd niet heeft gezien. Daar had hij nog wat van kunnen leren.

 

Paul