10 september 2007

NEC - Spero 2 (beker):  9-3

 

Ernum

 

Het onderlinge gekift tussen Arnhem en Nijmegen heb ik nooit begrepen. Laatst, tijdens het middeleeuwse Gebroeders van Limburg festival, kwam Omroep Gelderland (uit Arnhem) een reportage maken, bleken ze met voorbedachte rade het evenement helemaal te hebben afgezeikt, omdat de naam Gebroeders van Limburg door drie toevallige passenten op het festival niet was herkend. Arnhemse marketingjup erbij die oreert dat het merk 'Gebroeders van Limburg' marketingtechnisch een slechte keuze is (terwijl het voor ons juist omgekeerd is: we houden het festival om die naam te promoten en voorgoed aan Nijmegen te verbinden). Ik geef toe, vergeleken de 300.000 bezoekers van het gelijktijdige Living Statue festival steekt het aantal bezoekers van het Gebroeders van Limburg wat schrilletjes af, maar 30.000 bezoekers voor een historisch festival in één weekend is wel heel erg veel, juist ook vanwege de concurrentie. Maar Arnhem heeft het meest overtuigende medium in huis en sabelt ons neer. Pure kift, reine jaloezie. En historisch zo gegroeid, want Arnhem heeft nooit kunnen accepteren dat Nijmegen een veel rijkere historie kent. Pas toen het machtige hertogdom Gelre in de 16e eeuw zijn glans verloor en uiteindelijk werd opgeslokt door de Republiek der Verenigde Nederlanden, heeft Nijmegen haar vooraanstaande positie moeten afstaan aan het Hollandgezinde Arnhem. Dat werd dan ook de hoofdstad van de latere provincie Gelderland. Sindsdien doet Arnhem zijn uiterste best om Nijmegen waar mogelijk een hak te zetten.

 

Geheel onwetend van deze historische achtergrond waren op de avond van maandag 10 september in Arnhem enkele vrienden en/of buurtgenoten een potje voetbal aan het spelen in Sporthal Valkenhuizen, de enige mij bekende sporthal die zo groot is dat hij verdeeld kan worden in drie velden. Minstens de helft van de Ernumse voetballers droegen shirts met verticale geel-zwarte strepen, kennelijk om hun affectie met de plaatselijke club Vitesse kracht bij te zetten. Toen Jeroen en ik, schoorvoetend als altijd, ons in de zaal begaven, richtte zich een even plotselinge als onverwachte volkswoede tegen ons. "Hee NEK-ker, flekker op hier, anders ram ik je in mekeur, ja ik meen ut ech." Kennelijk werkte ons NEC-shirt als een rode lap. Om hun woorden nog meer gewicht te geven, kreeg ik de inhoud van een bidon over me heen. We hadden al snel in de gaten dat protest en discussie over deze gang van zaken een tegengesteld effect zou hebben, en kozen daarom voor een veilig heenkomen in de kleedkamers. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest om de kwestie te bespreken met onze tegenstanders, die uit geheel ander hout waren gesneden en ons alle steun toezegden. Even later, gekleed in de rode reserveshirts van Spero, betraden wij alsnog de gevreesde hal, waar wij opmerkelijk genoeg niet meer als NEC-ers werden herkend en daarom ook met rust gelaten werden. Dat geeft toch ook weer te denken over de intelligentie van sommige delen van de bevolking.

 

Nog met een beetje schrik in de benen - en op ons verzoek op veld 2, ver verwijderd van het roerige Vitessevolk - begonnen we onwennig aan de wedstrijd. We speelden slecht en binnen een kwartier keken we tegen een achterstand van 0-3 aan. Eventjes leek het erop dat zich eenzelfde scenario zou ontrollen als vorige week. Maar dit keer krabbelden we uit het dal omhoog en klampten aan. Door goede goals van Casper, Paul en Jeroen kwamen we nog voor de rust langszij. Langzaam vloeiden bij Spero de krachten weg (een team van allemaal 45-plussers!), waardoor we voor de eerste keer sinds lange tijd een wedstrijd op conditie konden winnen. Erik, Jeroen en Patrick (4x) zorgden met flitsend countervoetbal en dodelijke precisie voor een eindstand van 9-3.

 

Ondertussen bleef de vrees voor ergerlijke Ernummers rondzingen in de hal - zouden ze zich in een hinderlaag hebben verschanst, of zich hebben uitgeleefd op onze achtergebleven kleren in de kleedkamer? We waren er niet gerust op. Gelukkig waren al onze bezittingen nog intact en na een haastige douche bleek ook buiten inmiddels de kust veilig. Maar pas toen we over de Waalbrug reden en onze prachtige stad aan de rivier zagen liggen, konden we echt opgelucht ademhalen. Die aanblik van onze stad, badend in gekleurd licht, de stoere Stevenskerk er hoog bovenuit torenend ... geen wonder dat ze in Arnhem zo jaloers zijn.

 

Paul