Reisverslag van reis door Maleisië in 1990, zowel op vaste land als door Borneo

samen met Tom onder grote plankwortelsReisverslag Maleisië 1990

tekst Erik

tekst Paulien


Dag 1 | Arnhem, 28 juli

Ons vliegtuig vertrekt al vroeg, en daarom overnachten we bij Tom thuis in Amsterdam. We staan om 6 uur op en na een zeer stevig ontbijt van de moeder van Tom, brengt zijn vader ons naar Schiphol. Dat begint al aardig vertrouwd te raken, helemaal met Tom erbij.
We vliegen met Malaysian Airlines (MAS) in een DC 10, heel confortabel vergeleken met die Tupolev van Balkan Air verleden jaar. De trip blijkt van alle gemakken voorzien. De alleraardigste stewardessen schuiven maaltijd na maaltijd en drankje na drankje aan.
We landen in Frankfurt en Dubai, en vooral tijdens deze laatste transit merken wat een tropische hitte inhoud. Veel water! Met een temperatuur van 35° en een luchtvochtigheid van 90% slaat het klimaat als een natte dweil om je heen. Helaas komt er van slapen tijdens de vlucht niet veel terecht.


Dag 2 | Kuala Lumpur, 29 juli

Om 8.00 uur maleise tijd komen we in Kuala Lumpur aan. We hebben dan inmiddels 8 uur van onze dag verloren door het tijdsverschil. Als we onze bagage ophalen blijkt dat er een rugzak niet is. Uitgerekend dit jaar hebben we onze kleding niet over 2 rugzakken verdeeld. Maar als we in de rij staan om het vermiste stuk aan te geven, komt er iemand met de rugzak aangelopen, gelukkig maar.
Met de taxi karren we in 30 minuten naar ons hotel waar we voor M$97,- (ƒ 65,-) een kamer voor ons drieën hebben. Tom heeft een lief Mickey Mouse matras, wat zal die lekker slapen!
Na een verkwikende douche gaan we de stad in. Dat is wel even wennen. Het konstante getoeter, gelach en geschreeuw (ook om die lange) is één grote kakafonie van geluiden. Ik loop er dan ‘s morgens ook niet op m’n vrolijkst bij.
china town kuala lumpurIn Chinatown is het een drukte van jewelste. Het is een typische, oude wijk in het moderne centrum van Kuala Lumpur. Hier wonen vele Chinezen dicht op een kluitje. De Chinezen maken het grootste deel uit van de cultuur-mengelmoes in Maleisië.
We lopen door smalle straatjes met de stank van Durian, vis, geslacht vlees en riool. Het is soms net de Albert Cuyp, maar met meer geuren, lawaai en mini-mensjes. Iedereen is even vriendelijk, en als ze geen engels spreken halen ze er iemand bij of krijgen de slappe lach.

Paulien bij RambutankraamVanmiddag zijn we via allerlei tempels naar het Lake-park gelopen. Onderweg worden we door een tropische bui overvallen. In twee minuten zijn we al zó nat, dat schuilen haast geen zin meer heeft. We treffen weinig Lake aan, maar wel een mooi park met onder meer een orchideëntuin. Om vijf uur zijn we helemaal kapot, en we moeten we nog even naar het hotel terug, wat dus niet echt meer lukt.

Het is nu zeven uur en we hebben weer eens een douche genomen en gaan zo eten in het hotel en daarna een lange tuk doen.
Tom en Erik hebben vanmiddag Maleis gegeten, maar ik dorst het nog niet aan. Gevolg is dat Tom zich nu al niet in orde voelt. Ben ik even blij!

De angst blijkt dus niet gegrond. De ellende met Tom is snel over en ik produceer nog steeds harde valuta. We gaan om negen uur slapen want we hebben nog een nacht in te halen.


Dag 3 | Kuala Lumpur, 30 juli

We worden wakker om half tien, na twaalf uur slaap, en toch voelen we ons behoorlijk fit. Vanuit ons hotel bellen we naar het boekingskantoor om onze reis naar Taman Negara National Park te bevestigen. Men blijkt echter niets van onze boeking te weten, dus we besluiten er maar even langs te gaan.
We springen op een BAS MINI en na veel rondgevraagd en gelopen te hebben, op zoek naar een adres wat achteraf niet blijkt te kloppen komen we in een winkelcentrum waar men zo aardig is nogmaals voor ons te bellen. Zo komen we erachter dat het telefoonnummer niet klopt en we een halte te vroeg zijn uitgestapt. Inmiddels is het kantoor dicht is voor de lunch, dus gaan we zelf ook maar een hapje eten.
paulien en tom eten soep met...Met zulk warm weer is het heerlijk om tusen de middag warm te eten. En de keus is in Maleisië enorm. Er is een keur aan buitenlandse keukens vertegenwoordigd; Indonesisch, Indiaas, Chinees, Japans en natuurlijk Maleis, hoewel die niet zo’n uitgesproken karakteristieke keuken hebben. Het is meer een mengeling tussen de genoemde stijlen, maar niet minder smakelijk! Vooral de verschillende vissoorten laten we ons goed smaken.

Terug in het boekingskantoor blijkt er nogal het een en ander verkeerd te zijn afgesproken. Zo vertrekt de voor ons geboekte boot over een uurtje (en 200 kilometer verderop!), en is er ruimte voor twee in plaats van drie personen. Alle akkomodatie zit vol, dus we moeten zelf een tent meenemen. Laten we díe nou net niet bij ons hebben. We zeggen toe een tent te zullen gaan kopen omdat we anders helemaal niet meemogen en hopen op een slechte bureaucratische afwikkeling, zodat er toch ruimte voor ons is en we niet onder de blote hemel hoeven te slapen. Tom vindt het allemaal toch wel een risico, maar wij hebben geen zin om nog een week in Kuala Lumpur te moeten blijven. Dáárvoor zijn we niet een week op de groep vooruit gereisd!
Op de terugweg wisselen we nog wat geld. Men kijkt naar onze girocheques alsof ze van een andere planeet komen.

pekingeendDie avond lopen we wat over de pasar malam, de avondmarkt in Chinatown. De marktlieden proberen op nogal opdringerige wijze allerlei waar aan te prijzen, voornamelijk kleren en parfums. Er lopen veel toeristen rond, en het heeft niet veel meer weg van de aziatische markt die we er vanmiddag zagen.
Daar werd er fruit verkocht waarvan we het bestaan nooit hadden kunnen vermoeden en werden tussen de rekken met schoenen geneesmiddelen tegen shorpioen- en slangebeten verkocht. In grote, zwartgeblakerde tonnen hingen naakte eendelijven, de marinade er nog afdruipend. (Later ontdekken we dat deze Pekingeenden uitstekend smaken. Maar nog niet op deze avond)
fondueHier staan in de verlaten winkelportieken mobiele restaurantjes. In de metalen tafels zit een bowl gelast, waarin we een Steamboat kunnen gebruiken. Dit is chinese fondue. Advies: neem als laatste de vis! Het eten met stokjes hebben we inmiddels al aardig onder de knie. Het is alleen nog even wennen aan de kakkerlaken die langs de muur achter ons omhoog ritselen.


Dag 4 | Kuala Lumpur, 31 juli

vertrek uit hotelNa een stevig ontbijt zoeken we in de busterminal onderin het hotel naar een taxi om ons naar de boot in Kuala Tembling te brengen. Een sympathieke oude man met een even oude auto adviseerd ons onderweg wat fruit en drinken te kopen, en gidsd ons door de Cameron Highlands. Ja, het begint hier al aardig op tropisch bos te lijken. Verwonderd kijken we om ons heen naar de enorme palmen en groene muren van bamboe.
Erik op de rivierNa een tocht van 4 uur komen we bij een houten barak waarvandaan de boot richting Taman Negara vertrekt. We eten wat fruit en fried rice, om de tijd te doden maken we nog een ommetje. Een deel van de bagage blijft achter en we stappen in de smalle prauw.
Het is net een film, allemaal bomen met af en toe een ijsvogel of wassende, vissende mensen. Het natuurreservaat is één en al oerwoud, terwijl de andere oever hele lege stukken heeft met af en toe een hutje.

Aankomst Taman NegaraHet is een flinke tocht, zodat we in de middag bij het basiskamp Kuala Tahan aanmeren.In het kantoor moeten we de soms te eerlijke Tom de mond snoeren en heb ik aan de balie gevraagd waar onze slaapplaatsen zijn. Op de camping? Hoe kan dat nu? Dat klopt niet, want we hebben helemaal geen tent. Na kort overleg blijken er toch nog drie bedden vrij in de hostels. Voorlopig voor een nacht.
Rond het kamp hebben we al neushoornvogels, beo’s en groene duiven gezien. Tegen de wand van de slaapzaal lopen de chik-chaks (gecco’s).We slapen in hostel nr. 6, dat wil zeggen een zaaltje met vier stapelbedden en een plafondventilator (die de hele nacht staat te ronken). De klamboe geeft je een beschermd gevoel tijdens de luidruchtige tropische nachten.
We hebben de spullen nog niet neergezet of Tom en Erik vliegen naar buiten om de neushoornvogel te fotograferen, die op elegante wijze vruchten zit te eten uit de boom voor onze slaapzaal. Je hoeft hier dus niet ver te lopen om mooie vogels te zien, maar ze blijken hier helaas veel schuwer te zijn dan in Afrika.

Erik op basiskampWe lopen naar een uitkijkpost waar we een soort hert en een hele mooie zwarte vogel met rode vleugels zien. De geluiden maken nog meer indruk: iets wat lijkt op het slaan tegen een metalen staaf, een stotterende koekoek en vele andere fluitdeuntjes. Verder een orkest van cicades, die rond zes uur volop tekeer gaan.
In de gezellige eetzaal van het basiskamp hebben Erik en ik 'set-dinner' genomen, wat deze avond bestaat uit een soort Fuyong Hai met kip, rijst en patat. Anannas en thee toe, dit alles voor nog geen... M$ 7,-. Tom en zijn lintworm nemen een hele kip met patat ('zo’n set dinner is toch nooit genoeg voor mij') en krijgt daar verder niets bij.
Voor M$ 21,- heeft hij behoorlijk spijt! Het is heerlijk, zo half in de buitenlucht eten en het geeft ons een fantastisch exotisch gevoel.
Op de slaapzaal worden we begroet door een ongeveer 5 cm. grote kakkerlak. Ik dacht dat ik nu niet zou kunnen slapen met gekko’s boven m’n hoofd, kakkerlakken onder m’n bed, en een brommende ventilator, maar ik val in slaap ondanks Tom z’n piepwekker.


Dag 5 | Taman Negara, 1 augustus

Taman NegaraVandaag maken we onze eerste oerwoud-tocht. Het doel is een round trip van drie kwartier. Na 500 meter komen we op een open plek vol met in het zonlicht dansende vlinders terecht.
Als we anderhalf uur gelopen hebben komen we een bordje tegen ‘Taman Tahan-5 min.’. We doen er dus iets langer over dan de planning van de parkwachters, maar we komen ook zoveel interessante dingen tegen onderweg. Na nog eens een uur lopen, nu iets meer tempo, gaan we nog steeds niet ‘round’.
We blijven de rivier volgen. Onderweg zien we prachtige gemberbloemen, allerlei kleuren paddestoelen en hele mierenlegers die in rijen van 3 á 4 de weg over steken. Mooie, niet stil zittende vlinders zweven voor ons uit. Er is een enorme diversieteit aan bomen, en evenzoveel soorten bladeren en vruchten op de grond.
Bij de oversteek van een beekje gaan we zitten lunchen: 2 cola en een chocoladecake. Tja, het is soms wat behelpen. Als Paulien Tom’s verschrikte blik richting haar been ziet, vermoed ze wat er aan de hand is. Er zit een bloedzuiger op haar dij te luchen! Nou is ze toch een sjekkie aan het roken, dus die kon meteen op het beestje worden uitgedrukt, die zich kronkelend laat vallen.
Tom laat zich weer kennen als een echte natuurvorser, wanneer de kruimels van zijn cake in de beek vallen en een meerval tevoorschijn komt. Toegegeven, de vis ziet er afschrikwekkend uit, maar ik heb nog nooit iemand zó snel op de kant zien springen.

Verkwikt vervolgen wij het pad. We hebben er nu niet veel vertrouwen meer in dat de weg nog round zal gaan, als we het pad volgen gaat het stijl omhoog, waardoor we besluiten terug te gaan.
We komen een grote nestvaren tegen, die aan een paar wortels vanuit een boom omlaag hangt. In de verte hoog boven ons, horen we 2 neushoornvogels overvliegen. Wat een kabaal maken die, het is alsof er een helicopter overkomt!

Bij de splitsing naar Bukit Teresek Hill besluit Paulien terug te gaan. Tom en ik gaan rechtsaf. Al na één meter steekt een varaan voor ons het pad over. We proberen hem te volgen door het struikgewas, maar het reptiel vlucht een boom in.
Tom heeft nog puf om de heuvel te beklimmen, maar ik spaar liever m’n energie (en knie) en loop door.
Het is een hele aparte ervaring om alleen door het woud te lopen. Je hoort de cicaden stoppen als jíj in de buurt komt en de vogels vluchten het struikgewas in. Je voelt je heel nietig tussen alle grote bomen en bladeren. De geuren verschillen per gebied. Het rottende fruit onder een boom, de schimmelige, zwaar vochtige lucht bij een omgevallen boom die langzaam aan het wegrotten is, en waar alweer jonge boompjes op groeien.
zwemmen in de jungleAls Tom mij even later weer inhaald is het gevoel weer weg. Je kan weer tegen iemand wat zeggen en reageert zelf ook anders op dingen om je heen.

Het is een prachtige tocht. Op een gegeven moment horen we iets zwaars uit een boom vallen, en daarop volgt gekrijs. In een hoge boom schudden de takken heen en weer als de apen zich van tak naar tak slingeren. Duidelijk zie ik een lichtgekleurde aap, met lange armen en zonder staart: dit moet een gibbon zijn. Schreeuwend zoeken ze het verderop.

Als we bijna terug zijn, kletsnat van het zweet, zien we een bordje dat er niet mooier uit had kunnen zien: zwemplaats >> 1min.
Even later besluiten we de tocht met een tropische duik. ‘s Avonds eten we weer een heerlijk ‘set dinner’, en drinken nog wat in de zwoele nacht.


Dag 6 | Taman Negara, 2 augustus

tom en erik op de rivierWe besluiten vannacht in een jungle-hide te overnachten. Dit is een barak op hoge poten, uitkijkend over een open plek in het oerwoud. Je kunt er overnachten op verspochte matrassen en met wat geluk kun je ‘s nachts wild zien.
De parkwachters raden ons Bumbun Kumbang aan, omdat die ver van het basiskamp, diep in het park ligt. We kunnen het eerste deel met een bootje mee, en varen de Sungai Tembeling op. De rivier is erg wild en er zitten nogal wat stroomversnellingen in. Het water spet voor de boeg omhoog en al bij de eerste stroomversnelling golft het water naar binnen. Pas als we een stoel naar achteren gaan zitten kan de stuurman na een aanloop genomen te hebben het bootje over de ondiepe kolkende waterpartij krijgen. Van de nieuwe kleren die ik vanmorgen heb aangetrokken is niet veel meer droog.

Na drie kwartier en zes van die spetterende ervaringen komen we aan in Kuala Trenggan, dat niet veel meer is dan een verlaten hostel en een piepklein winkeltje. Er is wel een prachtig strandje met hoge aronskelken, omzoomd door de hoge muur van jungle.

tom en erik aan de rand van het bosHet vreemde is dat het oerwoud er vanaf het water ondoordringbaar uit ziet, maar als je eenmaal door de muur heen bent loop je door een soort gallerij van boomstammen. In hun gevecht om zonlicht proberen de bomen zo snel mogenlijk het bladerdak te bereiken en liefst nog er bovenuit te steken. Het gevolg is dat het bladerdak op zo’n 60 meter boven de grond zweeft en zoveel zonlicht absorbeerd dat nog maar 2% hiervan de bodem bereikt. De overgang tussen strand en bos is zo abrupt dat je de eerste minuten in de schemering op de tast je weg moet vinden.
Maar eerst drinken we nog wat superzoete frisdrank Joy bij het tentje en vernemen daar dat de sultan a.s. dindag het park zal bezoeken, omdat hijzelf in een dorp in het noorden van het park geboren is. Er wordt nu langs de rivieroever driftig met muskietengif gesproeid. Het viel ons al op dat we nog geen last van muggen hebben gehad.
Tom ziet een visarend op jacht, en we horen het wonderschone gorgelende lied van de geelgekroonde buulbuul. Langs een idyllisch beekje vol kruidje-roer-me-niet (wat zijn naam dankt aan de eigenschap haar veervormige blaadjes te sluiten als je ze aanraakt) volgen we het pad naar de hut.

harlekijnvlinderHet is een prachtige tocht, het is meer open dan langs de rivier, er vallen hier en daar zelfs gaten, waar een straal zonlicht door naar binnen valt. Ik zeg naar binnen omdat je het gevoel hebt in een enorme groene kathedraal te lopen, met een eigen klimaat, en z’n eigen bewoners. Daarboven, hoog in de kroonlaag vliegen de vogels en insecten in het zonlicht.
Hierbeneden zien we maar een fraktie van deze rijkdom aan planten en dieren. Op het rottend fruit dat hier en daar ligt en een aparte geur verspreid zitten vlinders, die je vaak pas opmerkt als ze opvliegen. Op plaatsen waar strepen zonlicht vallen groeien jonge palmpjes of gemberplanten. Varens en zwammen in bizarre vormen en kleuren overwoekeren omgevallen bomen. Om ons heen is een proces van opbouw en afbraak te zien, met een tempo dat in een gematigd klimaat niet te vinden is. Het is alsof het lente en herfst tegelijk is.
LantaarnvliegenBij een enorme reus met plankwortels stoppen we voor een groepsfoto van ons drieën. Om de ‘hoek’ van deze boom valt mijn oog op een buitenaards tweetal. Het lijken vliegen van een centimeter of zeven lang, en een verlengde kop in de vorm van een kromme lucifer. Ze drukken zich tegen het schors zodat ze nauwelijks opvallen. Het enige wat ze doet afsteken tegen de achtergrond zijn de felrode knopjes op hun snuit. Hierdoor heten ze dan ook lantaarncicaden, hoewel de knopjes ‘s nachts géén licht geven.

We moeten ook een paar beken over, het pad word erg glibberig. Tijdens zo’n afdaling ga ik door ‘n knie, en behoorlijk ook!. De pijn is eventjes heftig maar de schrik is groter. Stel je voor dat ik hier, in the middle of nowhere, geblesseerd zou raken!
Na tien minuten pauze vervolgen we onze weg langzaam, terwijl ik mezelf verwijt dat ik m’n brace niet meteen heb omgedaan. Sterker nog, ik heb het ding niet eens bij me. Die ligt nog in Terrenganu, bij de achtergelaten bagage.

Als we bijna bij de hut zijn, zien we nog enkele varanen. Dit zijn aaseters, wat zouden die hier zoeken? We zijn de eersten in de hut, er zouden er nog acht volgen.
Twee duitse jongens die we de vorige avond met twee deense vogelgekken ontmoet hebben, twee groene types, en...toen iedereen stilletjes een plekje voor een kijkgat had ingenomen, vier italianen. Nou schijn je volgens Tom deze mensen beter als vijand dan als bondgenoot te kunnen hebben (en hij kan het weten, want hij heeft de oorlog nog meegemaakt-geintje, Tom), maar hij krijgt helaas gelijk.
Gezellig eten in de junglehideZe kunnen hun mond geen moment houden, en als iedereen bovenin de hide zijn meengenomen avondeten koud zit te eten (wat overigens uitstekend smaakt) gaan ze uitgebreid onder de hide staan koken! Kompleet met pangekletter. Als één van de duitse jongens gaat vragen of ze misschien boven willen komen omdat ze anders het wild verjagen, is het botte antwoord dat ‘we voor wild maar naar de dierentuin moeten gaan’. De jongen komt witheet weer boven. Zij hebben 6 uur heuvel op heuvel af gesjouwd om in deze hide te komen.
De italianen komen na een half uur boven, en de schemering zet in. Het is fantastisch om zo in de open lucht de nacht te hóren vallen. Het orkest van cicaden verstomd langzaam en de boomkikkers nemen de partituur over.
De cornetto’s houden zich opvallend rustig, maar even later blijken ze op de trap een pilsje te zitten drinken.
Nog voor het helemaal donker is zien we enkele tropische vogels het nest opzoeken. De ‘white rumpted shama’ zingt prachtig, en we proberen ‘m na te bootsen om hem dichterbij te lokken. Op de boom vlak voor ons schiet een felgroene hagedis omhoog. Kennelijk gaat alles slapen, en ook de italianen zoeken hun bed met veel kabaal op. Ze hebben zoveel rumoer gemaakt dat we de kans op wild minimaal achtten, en besluiten om negen uur ook maar naar bed te gaan.
We liggen er nog geen 10 minuten in, of een van de duitse grünen begint opgewonden ‘tapir tapir’ te fluisteren. Ik spring meteen uit bed, bedacht op een grap, maar met de sterke zaklamp van Paulien zien we inderdaad twee oranje ogen op ons gericht. Omdat het beest ons recht aankijkt en we alleen z’n zwarte helft zien, twijfelen we nog of het geen panter is. Maar als het beest zich log een halve slag draait zien we z’n witte achterwerk.

Tapir bij een zoutplaatsHelaas heb ik de eerste tapir moeten missen, maar ik heb mijn lenzen ingedaan en vijtien minuten later verschijnt er weer een tapir. Overdag strooien de parkwachters op de open plek wat zout, waaraan in het oerwoud tekort is.
De tapir gaat op de plek staan waar het zout ligt en begint met een schurend geluid te likken. Hij laat zich niet door onze zaklamp storen en denkt wellicht goh, wat is die maan toch fel vanavond.
Na een paar minuten (nadat Erik een foto wilde nemen) verdwijnt hij weer. Het blijft een lange tijd rustig, maar de maan geeft zoveel licht en ik hoor zoveel mooie geluiden dat dat aleen al de moeite is om op te blijven. Dan zie ik in de verte een dier dat eruit ziet als een wolf, grijsbruin gevlekt met een lange staart en geel weerkaatsende ogen. We weten niet wat het is, misschien een civetkat. Even later volgen nog 2 tapirs. We komen nu pas op het idee om met de verrekijker te kijken terwijl de ander met de felle zaklamp bij schijnt. Je kunt de dieren nu pas echt goed zien.
Hun lange neus met grote neusgaten lijkt wel een zwarte slurf. Af en toe kijken ze in de lamp en zie je hun fel oranje ogen weerschijnen, maar ze reageren er verder niet op. Helaas kan Tom, die we wakker hebben gemaakt, met zijn bril niet veel zien, maar de volgende ochtend dient nummer 5 zich aan.

Iedereen is stomverbaasd, het is al licht aan het worden. het logge beest de open plek op te zien drentelen. Nu kunnen we het dier bij daglicht zien, en dat is minder spannend, maar wel heel duidelijk!


Dag 7 | Taman Negara, 3 augustus

De italiano’s zijn inmiddels wakker, dus er is verder door al het lawaai niets meer te zien. Luid pratend staan er nu vier italiano’s onder de hide te ontbijten. Tom vertrekt (een deel van zijn bagage achterlatend) naar de grotten.Dit moet een zware tocht worden, 2 uur heen en 2.45 uur terug zonder ontbijt of lunch. Erik en ik gaan terug naar de boot aangezien Erik zijn knie wat wil sparen voor de komende vier weken. Onderweg zien, maar horen we vooral, twee hornbills overvliegen. Het blijven indrukwekkende vogels.
Door de roep van de vogelgeluiden uit de omgeving te imiteren, proberen we de vogels naar ons toe te lokken. Het is verbazend zo snel als de vogels er op af komen.Het zijn Blackbreasted Barbets die het meeste in onze immitaties stinken, maar zodra we in zicht zijn worden we niet meer interressant bevonden en vliegen ze weg. Door de dorst voortgedreven lopen we vrij snel terug naar Kuala Trenggan. Lekker aan de cola en sprite en als brunch bananenbiskwie.

Paulien is doodmoe en blijft boven van het uitzicht genieten. Ik loop nog wat rond het kamp en zie een troep rode mieren ‘n spin uit elkaar trekken. Langs een beek zitten een paar Rackettailed Drongo’s te schetteren. Hun lange staarten fladderen ongecontroleerd achter zich aan als ze het bos invluchten. Iets verder in de bosrand hoor ik een groepje kwetterende jonge spechten. Even later zie ik hun pa, een banded woodpecker, ‘n maaltje bij elkaar hameren op een half verrotte boom. Hij heeft een prachtige zwart-wit gestreepte borst, rode vleugels en een groene rug en kop met gele kuif. Een heel exotische specht dus.
piepkleine kikkerVia de specht zie ik een grote eekhoorn van boom naar boom springen. Hij is wel zo groot als eeen kat, donker bruin en rode poten. Soepel verdwijnt hij uit ‘t zicht. Dan zie ik ‘n zeer exotisch gekleurde vogel traag door een booom hippen. Het is de Blackbellied Malkoho. Hij lijkt erg veel op de Chesnutbreasted Malkoho die we ‘s morgens op de kampplaats steeds zien, alleen veel lichter blauwer. Ervalt kortom veel te zien op zo'n relatief klein plekje. 's Middags ga ik nog even op zoek naar een poeltje, dat levert me een bruine boomkikker op.
Paulien met cola!Paulien roept. Ze heeft een grote varaan gezien. Als ik kom is het beest al aan de bosrand, z’n grote kop komt boven het gras uit. Volgens Paulien, die ‘m rustig over het gras heeft zien lopen,is het beest van kop tot staart wel vier meter lang.
De hitte wordt ondragelijk en het zweet komt uit plaatsen waarvan ik het nooit zou vermoeden. We besluiten een duik te nemen in de rivier. Ik heb geen zwembroek bij me en ga dus puur natuur bloot. Paulien gaat in haar onderbroek (bang geworden na het lezen van een spannend reisverhaal). Het water is gewoon lauw, maar toch verkoelend.
Tom arriveerd en voegt zich snel bij ons met een blikje cola. Hij is uitgeput, zijn ogen staan diep in z’n kassen en koelbloedig laat hij ons de beten van de bloedzuigers op z’n enkels zien. Tien in totaal. De tocht is erg mooi geweest, maar ook heel zwaar. Er waren grassige trajekten bij waar hij de bloedzuigers kronkelend op de bladeren langs de weg zag zitten, wachtend tot hij zou passeren. Soms wist hij het pad niet meer te vinden, omdat er ‘n woudreus overheen gevallen was. De grotten zijn erg mooi en hij heeft ook vleermuizen gezien. Later zien we de beelden op video, erg mooi hoor Tom, mooi gezwenkt, alleen misschien iets te lang?
Tom en Paulien bij rivierTerwijl we in het water liggen arriveerd een boot met... Italianen! Kompleet in strandtenue, zonnebrand en zonnebrillen beginnen ze te kwekken op het daarvoor nog zo rustige tropische strandje. Ze durven niet te zwemmen dus gaan ze maar zonnen. Ik schroom nu toch om in mijn nakie het strand op te komen, dus besluit er nog even in te blijven. Totdat we in de verte een boot vol drukke, fotograferende en filmende Chinezen zien aankomen. Als een speer zijn we allebei uit het water terug in de kleren.
We laten ons weer terugvaren, dit keer met de stroom mee, dus blijven we droog en schieten met grote snelheid onder het regenwoud door.

Terug in Kuala Tahan, het lijkt wéken geleden dat we hier waren, laten we ons vollopen en proberen de zweetlucht uit onze kleren te wassen. Er komt een Pied Hornbill overvliegen, en als we ‘m volgen, zijn schaterlach volgend, zien we er twee in een boom zitten. Prachtige grote, zwart-witte vogels met een enorme gele snavel met een knobbel erop.
‘s Avonds is er weer een ‘set dinner’; een heerlijke rundvlees ragout met ei en knapperige groenten. We boeken die avond opnieuw een hide voor de volgende dag, ditmaal zonder italianen graag! Toch zijn ze het vermelden waard in het rapportje dat we voor de kampstaf schrijven met onze waarnemingen van wild in de hide die nacht; five tapirs, one civetcat, four noisy italians.


Dag 8 | Taman Negara, 4 augustus

Gisteravond na het eten kwam een van de twee Denen, allebei vogelgek, naar ons toe om te horen of we nog wat bijzonders ‘gespot’ hadden. Nou letten wij op zóveel dingen dat de afdeling vogels er soms bekaaid afkwam, niet in de laatste plaats omdat ze in het dichte bladerdak gewoon moeilijk te observeren zijn. Maar zij hadden zich helemaal op de vogels toegelegd, en zagen ook niets anders. Zo vertelde hij ons van een plek vlakbij het kamp waar hij een dansplaats van een grote argusfazant ontdekt had. We tekenen het aan op de kaart, en besluiten er naar te gaan zoeken.

Voor vogels moet je vroeg je bed uit, en dus gingen we om zeven uur op pad. We zijn meteen allert als er een Mousedeer ons pad oversteekt. Het is een hertje ter grootte van een terrier, en deze loopt een stukje over ons paadje, alsof ze blij is even niet door die dichte begroeiing te hoeven lopen.
Als we in de buurt van de plek komen die de Deen ons aangeduid heeft, horen we de onmiskenbare schreeuw van de argusfazant. De roep ligt een beetje tussen die van een fazant en een pauw, en is heel luid. Om het dier met zo min mogenlijk geluid te benaderen ga ik alleen door het gebladerte op zoek, Tom en Paulien blijven op het pad achter. De fazant laat nog een paar keer van zich horen, maar als ik uiteindelijk de dansplaats gevonden heb, is de vogel gevlogen. Ik zoek een makkelijkere weg terug, en markeer die met afgebroken twijgen zodat we de volgende keer de plek met nog minder geluid kunnen benaderen. We gaan met z’n drieën nog een keer kijken. Het is een kale plek van ongeveer vijf meter in het vierkant tussen de bomen, en zo kaal geveegd als een gemeenteplantsoen. De enorme fazant voert hier een paar maal per dag een dans uit om vrouwtjes over te halen met hem te... affijn, u weet hoe de natuur in elkaar steekt.
We nemen een aantal veren mee en vertrekken toch een beetje teleurgesteld. Maar dat is snel over als we even later een heerlijk koele duik in het riviertje nemen. Terwijl we ons op de kant afdrogen gaat er vlak bij, aan de overkant een Stork-billed Kingfisher op een tak zitten. Stomverbaasd dat we deze prachtig fel gekleurde grote ijsvogel van zo dicht bij kunnen zien, gaan we er maar even bij zitten. De vogel tuurt een poosje in het snelstromende water om zich vervolgens met een snelle duik in de rivier te verdwijnen. Hij is al snel boven en met een vis in de bek vliegt hij uit ‘t zicht.

Met een bootje vanaf basiskampWe lopen terug naar het kamp voor de lunch, vis en groenten. Die middag nemen we om vijf uur een prive-bootje naar Bumbun Yong. Er vaart ons een grotere boot tegemoet, vol met witneuzen. Dat zal de Baobab groep zijn zegt Paulien nog, en na een kreet over het water te hebben geschreeuwd krijgen we een bevestiging uit de andere boot. We hoeven ons gelukkig nog niet aan te sluiten. We zijn nu al bijna een week met ons drieen, en dat bevalt eigenlijk prima.
We hoeven maar een kwartiertje te lopen, en dat is maar goed ook want het begint al te schemeren. Het is een mooie gezellige hide, en zo te zien hebben we ‘m voor ons alleen. De ‘packed dinner’ smaakt weer uitstekend. Fried rice, kip en kleine banaantjes, mango-steen toe. Een typische vrucht, zo groot als een appel, met een vrij harde aubergine kleurige schil en het vruchtvlees wit, als manderijnpartjes gerangschikt. De smaak is het wee-zoete tropische, maar iets frisser.
Junglehide op de uitkijkAl etende voor de grote opening die uitkijkt over de open plek, die hier grassiger is dan de vorige hide, kijken we wat naar de vogels die weer hun nest op zoeken of nog even een maaltje bij elkaar scharrelen. Wat een heerlijke rust. De maan komt op en in het struikgewas zien we het echtpaar hert, Muntjak. Ze zijn vrij ver weg, maar het beproefde systeem met zaklamp en verrekijker werkt perfekt. Een uurtje later komt er nog een Sambar hert de open plek op gelopen. Dit hert is ongeveer net zo groot als ons edelhert. Onder de hide wordt er flink gerommeld, maar we kunnen niets zien. Toch wel een beetje eng hoor. We voelen ons toch erg nietig in dit ernome woud. Om middernacht besluiten we maar te gaan slapen.

Erik poedelt in een junglebeek


Dag 9 | Taman Negara, 5 augustus

Ik wordt wakker van een klap op het golfplaten dak van de hide. Daarna rent er iets weg. Met de oren gespitst, het hart in de keel en de zaklamp in de aanslag wacht ik af. Dan hoor ik verscheidene beesten rennen. Ze zitten in de hide! Maar met de zaklamp zie ik niet veel meer dan schaduwen. Het is een getrippel en gepiep van jewelste. We zijn wel gewaarschuwd voor bamboeratten, maar het idee dat deze beesten, die zo groot zijn als katten, onder je bed zitten, daar slaap ik niet lekker op. Als ik nog eens met de zaklamp door de hut ga, zie ik onder het stapelbed naast me een vleermuis op de kop hangen, met z’n oogjes knipperend in het felle licht. Nou vind ik de natuur erg boeiend, maar niet tijdens het slapen!

's morgens wachten op de boot‘s Nachts worden Erik en ik wakker van een rat. Hij lijkt overal te lopen. Voor mijn gevoel loopt hij boven, onder en naast mijn bed. Hij is met de zaklamp niet te vinden. In de morgen blijkt het brood van Tom te zijn aangevreten, maar gelukkig is z’n chocoladecake onaangeroerd. Erik en Tom staan om half zeven op, maar ik lig nog een uurtje te pitten. We worden om half tien weer opgehaald met de boot, en we ontbijten dus maar op de aanlegsteiger. We krijgen er een lift aangeboden, maar we bedanken en wachten nog even af. Ons wantrouwen tegenover de stiptheid van de Maleiers en het onthouden van afspraken blijkt ongegrond als we stipt op tijd worden opgepikt. We varen in een ochtendzonnetje terug naar Kuala Tahan.

Zondag, wasdag. Alles wat vuil was heeft weer een sopje gekregen. Tom heeft eerst de kunst bij Erik afgekeken en vervolgens z’n eigen wasje gedaan. En na het inslaan van wat drinken verdwijnen de boys weer om de 'dans van de grote argus' te zien.

Erik bij woudreusVia het gemarkeerde pad kunnen we de dansplaats zo stil mogenlijk benaderen. We installeren ons achter een plankwortel en worden onmiddelijk door een muskietenwolk aangevallen. Gelukkig had Tom (NB!) jungle oil bij zich. ‘That ‘ll teach them!’. Voordat we het bos in gingen hadden we de roep nog van dichtbij gehoord ‘How-wooouw!’, maar nu we eenmaal zittten horen we alleen nog soortgenoten in de verte. Na een uur wachten geven we het op. Tom is bijna twee keer in slaap gevallen, en we zijn bijna door een troep apen verjaagd.
We vinden een kortere weg terug, een oud pad, heel smal wat kennelijk al lang niet meer gebruikt is. Zo wordt het toch weer een leuke tocht, ondanks de teleurstelling de grote argus niet te hebben gezien.
We luchen met rijst, groenten, kip en hete inktvis. Gerrie, onze Baobab reisleidster, heeft een briefje voor ons achtergelaten. Omdat zij geen overnachting op het basiskamp kan krijgen (de Sultan komt immers op bezoek) is ze met de hele club naar verschillende hides uitgeweken. Dat betekend dus wel dagtochten van zes uur lopen! We zullen elkaar dinsdag op Camp Nusa ontmoeten. We hebben wel een beetje medelijden met ze, nog maar nét in het oerwoud, herstellende van de jet-lag en dan ook nog zes uur door het woud lopen. Zwaar hoor. Wij nemen het er nog maar even van. Vanmiddag lekker zwemmen, cola en chocoladecake mee.
Op weg naar het riviertje verrast een White-rumpted Shama ons met zijn lied. Hij zit helemaal vrij op een liaan, en laat zich fotograferen. Maar dit is ideaal voor video, met geluid erbij, Tom... Tom! Die staat te dagdromen over Gerrie. Vóór we een duik kunnen nemen moeten we ons een weg door de vlinders heen slaan. Wát een kleurenpracht op het strandje. Ik probeer er nog een pisstraaltje uit te persen om er meer te lokken, maar het lukt niet. Je verliest ook meer lichaamsvocht door transpiratie, heb ik zo het idee.
Vlinder kom op mineralen afNét voor we een duik willen nemen houd een grote vogel ons nog even op de kant. Hij lijkt opgejaagd door iemand van het pad, en is duidelijk niet op z’n gemak zo in de open vlakte. Omzichtig en traag sluipt hij weer terug het struikgewas in. Het is net een enorme kraai, minstens 40 cm. Uit de vogelgids blijkt dat dit een Greater Coucal is. Je hoort deze koekoek vaker dan dar je hem ziet, normaal beweegt ie zich alleen door de dichte ondergroei van het bos. Mazzel dus!
De duik is heerlijk verkoelend, en elke keer weer bijzonder, zo ingesloten door het oerwoud. Weer op het droge proberen Paulien en Tom nog een vlinder op de gevoelige plaat te krijgen, maar het fladderende dier zit geen moment stil. Een lekker rustig middagje dus, maar door het klimaat toch nog verrassend afmattend. Arme Baobab groepsgenoten.
Voor morgen boeken we een boottocht naar Kuala Perkai, het noordelijkste puntje van het park waar je met een boot kan komen. ‘s Avonds voor het slapen zien we nog een groep wilde zwijnen langs de hostel rennen. Of zijn ze uit de keuken ontsnapt?


Dag 10 | Taman Negara, 6 augustus

Paulien stroomopwaarts Sungai KeniamWe vertrekken om half negen met een bootje voor ons alleen, en twee bootjongens. We varen weer tegen de Sungai Tembling op, dit keer rekening houdend met een nat pak. Maar het blijft droog, misschien doordat we lichter zijn. Dit keer gaan we voorbij Kuala Trenggan, naar Kuala Keniam om een zijriviertje het park in te varen.
De Tembling stroomt namelijk langs de grens van het park, wat duidelijk zichtbaar is aan de soms kale oostelijke oever. De Sungai Keniam daarintegen is aan beide oevers omzoomd met regenwoud, dat soms boven je hoofd weer bij elkaar komt.
Het is heerlijk koel op de boot, als de wind door de haren wapperd (behalve die van mij natuurlijk). Onderweg zitten hier en daar ijsvogeltjes langs de oever, en we horen de prachtig gorgelende zang van de Buulbuul.

tropische vlinders op lantanastruikNa twee uur komen we in Kuala Keniam aan. Het is een klein paradijsje. We lopen de trap op langs een paar Lantanastruiken, en daar zitten vlinders op waar ik al dagen vol verwondering en frustratie achteraan gehobbeld heb. Verwondering vanwege hun uitzonderlijk grote formaat, waardoor ze niet fladderen, maar zweefvliegen, met lange slippen achter hun vleugels. Frustratie omdat is er nog nooit een stil had zien zitten. Maar op deze struik zaten ze zich te goed te doen aan de nektar en aan elkaar!
Boven staan enkele huisjes met veranda, standaard lichtblauw geschilderd, en enorme, met boomvarens bedekte bomen. Een paar meter naast ons valt met veel geraas een Doerian uit de boom. De Maleiers zijn gek op deze met stekels bedekte vrucht, zo groot als een meloen, waarvan de stank als ie eenmaal geopend is onbeschrijfelijk is. Wij hebben de vrucht daardoor nog niet geproefd. Bovendien mag zij niet in de stad worden verkocht, alleen er buiten, ook in verband met de aaslucht die ze verspreid.
Rust op de Sungai KeniamWe vervolgen de tocht over de Sungai Keniam, en meteen sluit het oerwoud zich boven ons. Het wordt donker, de rivier is nu nog acht meter breed en op sommige plaatsen erg ondiep. De jongen voorin de boot peilt precies waar de buitenboordmotor uit het water moet, maar soms is het raspende geluid van de schroef over de keien te horen. Het duurt dan ook niet lang of de boot loopt vast, en we moeten eruit om te duwen. De stenen glijden onder je voeten vandaan en zijn soms venijnig scherp. Half strompelend en ons aan de bootrand vastklampend waden we voort. We moeten bij de bootjongens als schlemielen overkomen. Wij moeten al snel onze schoenen aan, maar zij stappen blootsvoets door het water zonder ook maar een keer weg te glijden. Zij vragen ons langs de oever te lopen, en later in te stappen. Dat is nog zo’n vier keer nodig, maar het bevalt zo prima. Omdat de buitenboordmotor stil is, horen we pas goed de gluiden van dit stuk oerwoud. Het woud staat op beide oevers tot aan de rand van het water, en de bomen zijn met varens en lianen bedekt. Sommige bomen liggen half in het water, zodat we er onderdoor moeten varen.
Op Kuala Keniam aangekomen eten we onze packed luch met uitzicht over de rivier. Het is een schitterende tocht geweest, we hebben het gevoel door een stuk ontzettende puur natuur te hebben gevaren. Het is hier erg stil en rustig. We lopen een stukje het bos in, maar het pad stijgt al snel en heeft Paulien twee bloedzuigers opgelopen. Gauw effe een sjekkie pielen.

beekjufferTom is stroomopwaarts door de rivier gelopen, en we gaan hem achterna. Na een bocht zien we hem zwemmen. Het is een prachtig plekje. Er vliegen knalgroene beekjuffers rond, die hun paringsdans laten fotograferen. Als een soort voorafgaande balts spreidt een juffer de vleugels en schiet rakelings over de golfjes. We lopen nu naar een zandstrandje, waar ik m’n verleidelijke plasje weer de vrije loop laat. Er is in het oerwoud een groot tekort aan mineralen. Met name vlinders laten zich dus deze kans niet ontgaan om extra zouten binnen te krijgen, en na eventjes wachten is de donkere plek in het zand bezaaid met vlinders in de mooiste vormen en kleuren. Het is net een meertje met surfzeiltjes. Een paar namen uit een maleis natuurtijschrift: Vindula dejone (grote oranje), Graphium evamon eventus (blauw-zwart surfzeiltje).
tropische speedvlinderEr komt een vliegend insect voorbij, waarvan we niet kunnen zien of het nou een libelle of vlinder is, en hij lijkt af en toe achteruit te vliegen. Hij is zwart-wit en vliegt in rechte, korte lijnen zoals een libelle, maar lijkt tijdens de vlucht om zijn as heen te draaien, een soort disco effekt. Als hij na lang dralen op het plasje gaat zitten vallen onze monden open. Wat een beauty! Het is toch een vlinder, maar met hele lange slippen en korte, doorzichtige vleugeltjes. Ze ‘pompt’ het water door het lichaampje. Door de roltong naar binnen, en met korte, krachtige stoten weer via het achterlijf eruit. De benodigde mineralen filtert ze op deze manier uit het water, zonder met een zware waterbuik rond te hoeven vliegen.
Ik loop langs de oever terug en schrik me rot als m’n voet half in de bodem lijkt te zakken. Het is of ik op een soort spons loop, en als ik achter me kijk zie ik een heel bellenspoor op de plaats waar ik m’n voeten gezet heb. Er ligt zeker een rotte boom onder het zand. Paulien volgt, maar vind het toch ook wel een beetje eng, zo’n jacuzzi onder je voeten.

Terug bij de boot bied een van de bootjongens ons een stuk Doerian aan. Ik geef de stank niet de tijd me op andere gedachten te brengen, en hap het romige vlees van de dikke pit af. De smaak is heel apart, niet zoet maar eerder hartig. Zij is eigenlijk niet te beschrijven maar onmiskenbaar. Ik begin de vrucht tijdens de reis meer en meer te waarderen, maar het is aan Tom en Paulien niet besteed. Kokhalzend gooien zij de helft in de plomp, de maleise jongens snappen er niets van. Hoe kun je zo’n lekkernij nou weggooien?
De terugtocht is relaxed. We hoeven minder uit te stappen, en we liggen lekker onderuit te genieten (en te verbranden, maar dat wisten we toen nog niet). We worden afgezet op Camp Nusa, een slap aftreksel van het hoofdkamp, en veel minder sfeervol. We nemen een kop soep en een duik in de rivier, die hier verradelijk hard stroomt.

‘s Avonds ontmoeten we tijdens het eten een bejaard nederlands-amerikaans echtpaar, allebei geboren in Indonesie, met chaffeur, gids en aoptiedochter. Ze vertellen over hun woonplaats in Amerika, en ‘the american way of life’ waar ze maar moeilijk aan kunnen wennen. Ze snappen niet dat wij voor onze lol door het oerwoud (die groene hel) wandelen. Het wordt een avond met allerlei leuke en minder leuke (over japanse bezetting) verhalen.
Nu stop ik, anders raakt het boekje te vol.


Dag 11 | Taman Negara, 7 augustus

Dinsdag liet nog even op zich wachten, want een stel amerikaanse meiden hadden een gettoblaster bij zich, en die draaide die nacht op volle kracht. Een keer vroeg Erik of de muziek wat zachter kon, maar de toen dat niet hielp verloor hij z’n zelfbeheersing. ‘Shut up! Turn down the damn music or go back to fucking Kuala Lumpur!’. Dat zat de kampbeheerder, die er kennelijk bijzat, niet lekker. Hij komt bij Erik aan de deur en vraagt wat hij wel dacht, we mogen blij zijn dat we een bed hadden, en we mochten zeker niet schelden op de muziek. Erik verontschuldigde zich en vervolgens ging de muziek en het gegiebel weer verder.

De volgende morgen worden we door de boot opgepikt. We maken kennis met de rest van de groep, maar die maken een zeer vermoeide indruk. Ze hebben het ook niet erg naar hun zin gehad geloof ik. Het programma was door de aangekondigde komst van de sultan nogal door de war gegooid. Maar als we verder de rivier af varen, haalt een bootje ons in met een enorme troon en een opgerolde loper erop. Helaas, de sultan kwam niet. Hij lag in het ziekenhuis. Terug in Kuala Tembling staat er een bus op ons te wachten. We rijden naar Lake Chini.
Paulien achter bamboegordijnenHet landschap onderweg is een behoorlijke ontnuchtering na zoveel regenwoud. Er is veel kaalslag en enorme onafzichtbare palmolie- en rubberplantages. Tijdens de rit moesten we ergens wachten omdat er een partij rotsen werden opgeblazen, waarmee stenen voor huizen vrij kwamen.

Bij de rivierbedding aangekomen stonden we met z’n allen in een boothuisje dat, zeker 70 meter van het water verwijderd op het droge ligt. Een heel koddig gezicht, alsof we daar staan te wachten tot het water zou gaan stijgen. We worden opgehaald door varende badkuipen, overigens wel mooi beschilderd. Er volgt een prachtige tocht door een heel smal stroompje, waar we het grootste deel doorheen zijn geduwd. Ook hier vormt het oerwoud een tunnel boven ons hoofd. Er hangen enorme hertshoornvarens in de bomen, en lianen, soms weer begroeid hangen naar beneden. Gerrie zat in onze boot en hield de schipper aan de praat (in het maleis), zodat hij niet te snel vaart.

kinderen met lotusblad op hun hoofdNa een uur gaat de bomenboog open en komen we op een betoverd meer terecht. De zon staat nu al laag aan de hemel en kleurt de hemel roze tot rood. Het meer is bedekt met lotusbladeren. Als groene parasolletjes steken ze een halve meter uit het water omhoog. Op de nog liggende bladeren parelt het opspattende water van onze boot. De roze bloemen geven het meer een exotisch accent. Helaas wordt het al snel donker en moeten we het laatste stukje oneerbiedig doorscheuren.
We eten met de groep op de veranda van het guesthouse, uitkijkend over het meer (als het niet stikdonker was). Na het eten zitten we met een klein groepje tot middernacht na te praten, want het is wel even wennen na een week met z’n drieën, en nu in zo een busy groepje. Met 2 matrassen op elkaar slaap ik heerlijk.

zonsondergang op lake chini


Dag 12 | Lake Chini, 8 augustus

Lotus op Lake ChiniWoensdag scheerdag en nivaquinedag. Maar ook lotusdag. Met twee gehuurde canadeese kano’s gaan Tom en Ben, Erik en ik het meer op. Het is een beetje heiig, maar als de zon doorbreekt is het al snel helder. En heter!
Er zijn op sommige plaatsen nog veel prachtig roze bloemen te zien, en de uitgebloeide exemplaren lijken met hun zaaddozen tegen de zon in te kijken, die al aardig op onze ruggen staat te branden. Tom heeft een t-shirt over zijn hoofd getrokken en ziet er uit als een verdwaalde arabier. Als er een bootje maleise kinderen passeert, zien we een heel andere manier om je tegen de zon te beschermen. Ze hebben van de grote lotusbladeren kaboutermutsjes gevouwen.

Als we doorzweet en dorstig zijn gaat het laatste cola open. Tom en Ben horen al van verre het sissende opentrekken van het blikje en gooien het roer om. Erik gebruikt een drijvend lotusblad als dienblad voor de boys, die flink moeten manouvreren om hun dorst te lessen.
Tom en Ben reiken naar cola op Lake ChiniAls we geen bloem meer kunnen zien, meren we aan en zwemmen een stukje. Die mooie lotussen hebben onder water gemene stekels, zeg. Tom, de ‘jonge god’ klimt als een oud wijf op de kant en de maleise bootjongens liggen in een deuk bij het zien van zijn gracieuze capriolen.

Ons wasmiddel is in Tahan ‘achtergebleven’, dus ik vraag Tom wat te leen. Zijn tube blijkt echter vrijwel leeg in zijn toilettas te zijn gelopen. Die hebben we dus maar even uitgewassen, en met het waswater onze was gedaan.
stilleven met vis en LotusHet sjacharijnige stelletje (Jacqueline en Peter) zit mopperend op de trap van hun chalet. Peter is ziek en nu heeft Jacqueline er ook geen zin meer in. Je hebt nog nooit zo’n negatief stel meegemaakt, er is werkelijk nog niets leuk geweest, en het zal ook wel niet leuk worden ook. Het eten zal wel weer niet te vreten zijn en het zal wel gaan regenen.
Na een bord fried rice zijn de boys (Erik en Tom) met de kano op zoek gegaan naar slangen.

Hoewel we waren gewaarschuwd voor slangen, die boven de rivier in de bomen hangen, hebben we ze niet gezien. Helaas. We peddelen terug naar het stuk van de de rivier waar we gisteren met de motorboot doorheen zijn gescheurd, de Sungai Chini. Heerlijke rust. Het regent zachtjes (had Jacqueline toch gelijk), en in de bomen om ons heen een orkest van vogelgezang. De begroeing van het meer gaat via lotus over in yucca, over in mangrove, over in regenwoud. Voor ons uit vliegt een witkeel-ijsvogel krijsend van tak tot tak, door ons opgejaagd. Hoog in de bomen hangen allerlei nestvarens.
Als we terug gaan komen we Gerrie, Ben en Paulien in een kano tegen. Ze hebben net twee verschillende ijsvogels in een palm zien zitten. Tom en ik er natuurlijk achteraan, maar ze waren helaas uit elkaar. Verderop zit de Ooievaarsbek-ijsvogel (ja, zo heet ie nou eenmaal) op een paaltje. We proberen hem geruisloos te naderen, maar dat valt in zo’n kano niet mee. Als het peddelgekletter te gek wordt, vliegt hij protesterend weg.
Na een kleine kanowedstrijd komen we nèt niet doornat terug.

spannende verhalen‘s Avonds is er een bar-b-que georganiseerd. Men heeft zich echt uitgesloofd, er is echt van alles. Tot en met een koolsalade. Er wordt een welkomslied vanaf een bandje gedraaid.
Na het eten komt de eigenaar van het ‘resort’ wat vertellen over een onderzoek naar taal-overeenkomsten tussen nomadische volken op Maleisie, Thailand, Filipijnen, Papoea Nieuw-Guinea. Hij verteld verder over de gebruiken en tradities van de Orang-Asli, de oorspronkelijke bewoners van Malesie. Recent heeft hij nog een expeditie begeleid op Nieuw-Guinea, waar men een nieuwe diersoort heeft ontdekt. Het is een zeer boeiend verteller, en hij gaat de hele avond door. Zo heeft hij twee jaar in de jungle gezeten bij de Orang-Asli en van alles van hun geleerd. Hoe je medicijnen uit het woud haalt, bepaalde ziekten geneest. Over slangen, blaaspijpen en de jacht.
Ik zet die nacht nog m’n wekker voor een visuil, maar slaap er doorheen.


Dag 13 | Lake Chini, 9 augustus

ghost lorryDe was is voor ons gedaan, maar door de regen nog niet droog. We vertrekken weer met de bus richting een palmolie-fabriek, waar ruwe palmolie uit de noten geraffineerd wordt. Voor mij teveel stank, herrie en desillusie. De rest van de groep vind het wel interessant, maar schijnt volgens mij te vergeten dat op deze plek nog niet lang geleden regenwoud stond, en heel Maleisië momenteel onder een deken van palmolie plantages bedekt wordt.
Lekker etenDe tocht gaat dus via palmolie en rubber via Kuatan naar Cherating. Als de zee in zicht is gaat er een zucht door de bus. Heerlijk blauw straalt zij op ons af. We slapen in chalets, weer in tweepersoonsbedden. Nu kunnen we de klamboe tenminste gebruiken, hoewel we weinig last hebben van muskieten.
We nemen een heerlijke duik in zee, die zo warm is als een kinderbadje. Voor ons uit springen scholen vissen uit de zee omhoog, net minidolfijntjes. Er staat onweer op komst en aan de hemel zien we een vreemd lichtspel. Een soort regenboog in waaiervorm, prachtig maar niemand heeft een camera bij zich natuurlijk. We liggen wat in zee te kletsen tot we een gerimpeld oudevrouwtjes huidje hebben.
Op ons balkonnetje met orchideën eten we Rambutan tot we er misselijk van worden.

Een koude douche frist ons op, en met Tom en Ben zoeken we een restaurantje aan het strand. Dat wordt de Blue Lagoon. Tom krijgt zijn soep tegelijk met het hoofdgerecht, en ik heb een half uur op mijn eten moeten wachten. Maar ik krijg wel banaantjes om de maag zoet te houden.
Aangezien de maag van Erik nog niet helemaal stabiel is gaat hij niet mee op schildpaddenjacht. Tom en Ben gaan wel mee, en gewapend met een zaklamp lopen we over het strand. Het is helaas zonder succes. We zien alleen kleine gaatjes in het natte zand waar krabbetjes in verscholen blijken te zitten.


Dag 14 | Cherating (Oostkust), 10 augustus

palmstrandWe slapen lekker uit tot half negen en gaan ontbijten aan de beach. Het beloofd echt een lekker luie dag te gaan worden. Deze plek geeft ons echt een bounty-gevoel.
We snorkelen wat in zee, en zien scholen zilveren visjes. Er is ook een echtpaar inktvis, die met de bodem mee van kleur veranderen, tenzij er een konkurrent aankomt, dan verschiet de inktvis letterlijk van kleur en wordt wit. Een prachtig gezicht. Ben imiteerd de bewegingen met zijn hand en lijkt werkelijk te kommuniceren!
Voor de verandering gaan we na een spelletje frisbee op het strand maar weer eens eten. Erik nog voorzichtig, maar ik ga lekker aan de kip in zoetzure saus met groenten. Heerlijk exotisch met uitzicht op de beach.
Terug naar de chalets komen we Gerrie tegen die een riviertochtje door het mangrovebos kan regelen. We gaan op de roeiboot met mopperstel. De lucht is staat op onweer, en na vijf minuten begint Jacqueline natuurlijk al over teruggaan. Maar we zetten door, en varen door het magrovebos, dat vol bomen met steltwortels staat, en zonder vasteland in zicht. We varen op een gegeven moment onder een boom door, als de bootjongen omhoog wijst. Boven ons hoofd, op een laaghangende tak ligt een slang een tukje te doen. Heel stilletjes varen we eronderdoor. Hij zal maar in de boot vallen! Dan gooien we Jacqueline er het eerst voor, hoor.

regenbuislang boven ons hoofd

Zij krijgt alweer gelijk, en het begint te regenen. Nee, het begint te hozen! Het komt met bakken uit de lucht, en er is geen schuilen aan. Ik heb gelukkig wel een paraplu, en laat het afdruipwater bij Jacqueline in de jaszak lopen. Heeft ze tenminste echt iets te mopperen. We rennen de boot uit maar we zijn doorweekt, en doen het dus nog eens over voor de foto. De regen is hier gewoon een beetje lauw, dus je koelt nauwelijks af.

krab eten aan het strandDeze avond zijn we gaan eten bij Abdul. Gerrie heeft vanochtend meegeholpen met de boodschappen en we krijgen een vismenu. Het eet-tentje van Abdul is niet meer dan een houten hutje met een piepklein keukentje. Maar een gerechten dat er uit die keuken komen!
Na krab als voorgerecht (verse, je moet de pootjes ook uitzuigen), volgen gebakken garnalen, groenten met inktvis, een vis waar we nog steeds de naam niet van weten, gefrituurde vis en als toetje verse fruitsalade met papaya. Ik denk dat ik nog nooit eerder zó lekker heb gegeten!


Dag 15 | Cherating (Oostkust), 11 augustus

Onze voornemens om vroeg op te staan en te snorkelen hebben we na de heerlijke maaltijd van de vorige dag aan de kant gezet. Een luie dag dus. We nemen de airconditioned snelbus naar Rantabou. Dit is een heel klein plaatsje aan zee, waar het overvol is van de toeristen, een deel moet zelfs op de grond in het restaurant gaan slapen. 's Middags zwemmen we wat in zee en wandelen in de buurt.
Op mijn wandeltocht door de duinen zie ik de eerste bekerplanten. Even verder vliegt een zeearend op. Ik probeer hem te volgen, maar hij is zeer schuw en laat me niet dichterbij dan 100 meter. Een Storkbilled kingfisher is minder schrikkerig, en laat zich fotograferen.
wachten op de schildpaddenAls ik langs een eenzame boom loop, zie ik een enorm bijennest hangen. Voorzichtig loop ik op het nest toe. Het blijkt geen nest te zijn, want er is geen raat te zien , maar een heel bijenvolk, dat kennelijk wat hangt uit te rusten. Als souvenir van de tocht neem ik een Nautulusschelp mee, die ik tussen de bladeren vindt. Het barst hier trouwens van de hagedissen, zeg.

Er is hier verder niet veel te doen. De reden waarom we hier zijn is om vanavond schildpadden op het strand te zien eieren leggen. Na het eten zitten we dus echt te wachten. Het lijkt wel Sinterklaasavond. Zouden ze komen of niet? Om zeker te zijn dat niemand iets mist, zijn er wachters langs de kust uitgezet, die de zee in de gaten houden. Maar als er om elf uur nog niks gebeurd is, gaat de ‘snelle’ helft van de groep naar bed. Een half uur later komt de eigenaar van het hotelletje ons roepen ‘Gerrie turtle!’. Hierop heeft iedereen zitten wachten, en we vliegen naar het gereedstaande busje. We krijgen onderweg nog politiecontrole, en als we op de plek bij het strand zijn, moeten we nog een half uur lopen. We waren de eersten, maar zeker niet de laatsten! Het is wel een prachtig gezicht, het kollosale beest is zo groot als een eettafel en sleept zich zuchtend over het strand. We kunnen maar even van de rust en het beest genieten, al snel zien we langs de kustlijn een lange stroom van zaklampen. Na een kwartiertje staat er zeker honderd mensen rond het arme dier te kakelen.
We kunnen het niet langer aan zien en besluiten niet te wachten tot het dier eieren gaat leggen, en gaan terug. Onderweg terug zien we blauwe lichtjes in het natte zand, als je ze in de hand neemt zijn het net lichtgevende zandkorrels.
op zoek naar schildpaddenDe bus was nog niet terug of er werd gezegd dat er misschien nog een schildpad zou komen. Maar van ons hoeft het eerlijk gezegd niet meer. In bed liggend hoor ik voetstappen en hoop dat het Gerrie niet is. We zijn blij het eerste kwartier in rust bij het dier te zijn geweest, maar het laatste kwartier was verschrikkelijk. De organisatie rond het bekijken van de schildpadden moet veel beter anders loopt het aantal dat het strand bezoekt om eieren te leggen nog verder terug. We hoorden dat er 10 jaar geleden nog zo’n 20 schildpadden per nacht kwamen, nu zijn dat er nog maar 2 à 3...


Dag 16 | Rantabou (Oostkust), 12 augustus

We ontbijten met een kaasomelet en mixed fruitjuice. Als Tom in de verte een visarend in een boom ziet neerstrijken is het gedaan met de rust. We gaan erop af, maar de vogel vliegt steeds verder weg. Het zal die schijterd van gisteren wel zijn geweest.
paulien fotografeerdAls het busje komt blijkt die kleiner dan gedacht. We beginnen maar te pakken tot hij vol zit. Vervolgens komt Gerrie naar buiten om te vertellen dat dit onze bus niet is. Wij opgelucht want het was toch wel proppen, en pakken alles weer uit. Komt er net zo’n busje de laan op rijden. Dat is onze bus. Net zo klein! Gelukkig wordt het goed opgelost door de bagage in een, en wij in het andere busje te stoppen.
We rijden naar Marang, een gezellig vissersdorpje waar langs de kade grote rekken met inktvissen in de zon te drogen hangen.
Hiervandaan vertrekken we met de boot naar het eiland Kapas. Het is een heel charmant bootje, en de overtocht duurt drie kwartier.
aankomst pulau kapasDe boot boort zich in het strand en via een uitgegooid trapje springen we aan land. Het is een echt ‘bounty’ eiland met palmen en een smetteloos wit strand, bezaait met stukjes koraal. We hebben tweepersoons chalets met een eigen douche (waarlangs ratten blijken te komen).
Na een snelle luch gaan we met Tom, Ben en Gerrie ‘n junglepad over naar de andere kant van het eiland. We komen een hoge boom tegen vol met honingraten, zeker acht. Als je er onder gaat staan hoor je het zoemen van de bijen boven je hoofd. Ook komen we onderweg jackfruit en mangostan tegen. Als we aan de andere kant van het eiland aankomen, ziet het strand vol rotsen er niet veelbelovend uit. We nemen een duik met onze snorkels en er gaat een kompleet andere wereld open! Schitterende vormen en kleuren koraal, met allerlei visjes ertussen. Er zwemmen grote zwart-blauwe maanvissen, en af en toe een papegaaivis die in een veelkleurig parelmoerjasje gehuld is. Paulien ziet een grote vis op zich af komen en word een beetje bang, dus zwemmen we maar met ons tween. Helaas krijgt Paulien na een tijdje kramp en gaan we er maar uit. Boven ons scheren drie zeearenden boven de rotsen. Het is een uniek plekje!
door het gras met GerrieWe lopen rustig terug en komen de rest van de groep tegen, die allerlei vondsten op het strand gedaan hebben. ‘s Avonds gaat Paulien vollyballen en loop ik nog een stukje langs het rustige strand.
Als diner staat er natuurlijk vis en rijst op het menu. Na het eten tonen Tom en ik ons als de ware avonturiers, en nemen een nachtelijke duik in zee. Volgens de eilandbewoners niet gevaarlijk, als we maar niet achter het rif komen, want daar zitten haaien. Daar laten we ons niet van afschrikken, maar toch een beetje gespannen lopen we de branding in. De zaklamp is wel sterk, maar schijnt onder water veel minder ver. De zee is aan deze kant van het eiland lang niet zo mooi als aan de andere kant. Op de zandbodem lopen een heleboel zeeegels, wier oogjes in de zaklamp lijken te reflecteren. Het is al met al toch wel een beetje eng, en Tom slikt een golf zeewater binnen en komt proestend boven. Een beetje teleurgesteld maar toch trots deze beproeving te hebben doorstaan lopen we het strand weer op, verzinnend wat voor fantastische verhalen we de groep zullen vertellen.


Dag 17 | Pulau Kapas (Oostkust), 13 augustus

snorkelen vanuit de bootVandaag varen we met de boot naar een interessante snorkelplek. Eerst een rondje rond het eiland, waarbij het schip zich door de golfslag heen moet stampen. Van op en neer naar heen en weer tot Tom een beetje witjes rond zijn neus wordt. Maar hij hield zich verder als een Cousteau.
De eerste plaats waar we het water in springen is te diep. Het koraal ligt te diep om er goed van te kunnen genieten. Op de tweede plek barst het van de kwallen, die er gevaarlijk uitzien. Als we wegvaren naar een derde plek worden we door een snorkelaar uitgezwaaid. Toch aardig, en we zwaaien terug. Maar even verder merken we dat Ben niet meer op de boot is. Oei, dat was Ben die ons toezwaaide! Meteen maar even terug.
doopvondschelpDe derde plek is prima, en we genieten volop. De vissen zijn hier nog groter dan vlak bij het eiland, en enorme scholen felgekleurde vissen zwemmen om ons heen. Veel papegaaivissen met felle kleuren, soms in troepjes op ‘jacht’. Je ziet ze ‘grazen’ en het kalk met een wolkje weer uitspugen. Een andere troep heeft een grote oester te pakken, die helemaal wordt afgekloven. Voorbij het rif zwemt een school pijlinktvissen, een gek gezicht. Net als gewone vissen veranderen ze precies tegelijk van richting.
Ik probeer foto’s te maken met een weggooi-onderwaterkamera. Paulien is al aardig over haar angst heen en zwemt alleen terug naar de boot. Als een speer. Even daarvoor zagen we een paar gepen vlak onder de oppervlakte zwemmen, en Paulien dacht dat het haaien waren. Rond een uur of twee, als iedereen zijn mond vol zeewater heeft en trek begint te krijgen (behalve Tom dan, want die is nu echt zeeziek) gaan we terug.
We luchen met hete kerrie-kip en groenten. De italiaanse schone die hier de bediening doet is heel grappig, zonder dat ze het zelf weet waarschijnlijk. ‘Doe joe want vedgieteebels?’ en ‘Shall I rright it on yourr bil’ maken dit restaurantje onvergetelijk.
bij de grotDie middag gaan we met de hele groep naar de andere kant van het eiland via het junglepaadje. Tom en ik lopen achteraan, en ik ontdek een knalblauw springspinnetje, die zich onder een dor blaadje wat hij op een groot groen blad heeft gelijmd schuilhoud. Hij heeft zo een prima uitvalbasis tijdens de jacht op mieren of andere ‘passanten’. Het blijft een prachtige tocht, hoewel ie steeds korter lijkt te worden.
De zee aan de andere kant is troebeler dan gisteren, maar er is meer koraal te zien dan vanmorgen. Wel weer minder papegaaivissen.
In de buurt is een grot, die vol vleermuizen zit. Ze kijken ons allemaal aan terwiijl ze piepend achteruit omhoog klimmen.
Terug op het kamp worden we door de ‘locals’ uitgenodigd voor een parij vollybal. Ze hebben zich goed voorbereid en het net staat strak. Er zijn lijnen in het zand geschept en ze hebbener zin in. Toch moeten ze het onderspit delven en het word 3-0 voor de ‘orang puti’s’. Tijd voor een lekkere douche, maar helaas, geen water meer.

zonsondergang


Dag 18 | Pulau Kapas (Oostkust), 14 augustus

We moeten vroeg ontbijten om de bus op de kade te halen. Jacqueline: ze zullen zich wel verslapen, moeten we zonder ontbijt op pad. Wat is het toch heerlijk zo’n opgewekt persoon bij je te hebben. In elk geval hadden we keurig om kwart voor zeven ons ontbijtje.
De bus was trouwens toch te laat. De tocht voert langs de grens met Thailand. We zien veel kale stukken en erosie. De weg is op sommige stukken erg slecht, delen weggspoeld door de regen. Als we pauzeren is er nauwelijks tijd voor een maaltijd, dus kopen we massaal koekejes en chips in. Daar kun je ook op leven alleen wordt je snel een beetje misselijk...
Bij het stuwmeer Butterworth strekken we even de benen. Doordat deze dam in een riviertje is gelegd is er een enorm deel regenwoud verzopen, de kale bomen steken hier en daar nog uit het water omhoog als stille getuigen van wat hier ooit geweest is.
Het is dus verder geen opbeurende tocht. De rest van de groep lijkt er wat lakonieker onder ‘Die kaalslag is toch alleen maar langs de wegen, er is verder nog oerwoud genoeg’. Dicussie wordt gemeden.
Om onverklaarbare reden worden we een paar honderd meter van de ferry naar Georgetown afgezet. Dat betekend dat mensen die hun bagage onhandzaam hebben verpakt, even de tanden op elkaar moeten zetten.
schoolbus penangWe zijn in een dag dwars over Maleisië gereden, en het laatste stukje, naar het eiland Penang moet per ferry. Hier was in de engelse koloniale periode een cultureel en handelscentrum opgericht, Georgetown, genoemd naar koning George III. Om het eiland van bos te ontdoen, schoten de engelsen er in 1786 zilveren dollars op, zodat de maleiers in mum van tijd al het bos gekapt hadden om het geld te vinden.
De hoofdstad is nu van z’n funktie ontheven en heet Penang (betelnoot). Wij overnachten in het Cathay Hotel, dat nog zeer kolonialistisch aandoet. Het barst in de stad van de restaurantjes, en we besluiten Indiaas te gaan eten. Op die gedachte komen er meer, zoals later blijkt en de helft van ons gezelschap binnenkomt. Het is zo langzamerhand overbodig te vertellen dat het eten voortreffelijk was.


Dag 18 | Penang (Westkust), 15 augustus

Tom en Ben in riksjaOm acht uur springen we in een riksja, op weg naar een chineese tempel. Heel decadent met z’n tween door de stad te worden gefietst. Helaas gaat de tempel pas om negen uur open, dus we ontbijten eerst wat in de buurt met heerlijke bapao’s. Naast het piepkleine eettentje ligt een tempel die wel open is, en we laten ons overhalen een kaars aan te steken voor ‘het geluk’.
Terug bij de Khoo Kongsi tempel kunnen we een blik naar binnen werpen. Het gebouw heeft zowel een funktie als tempel, als ook een ontmoetingsruimte voor Chinezen van dezelfde ‘clan’. Het is rijkelijk gedecoreerd met slangen, draken en boeddha’s. Het is een overdaad aan vormen en kleuren, maar toch met een bepaalde verfijning, niet de botte kitsch die je bij het chinees restaurant in Europa tegenkomt.
Lotussen op vloer Penang TempelWe laten ons naar de Penang Buddhist Association fietsen. Een hele ruk, en we denken even die arme chauffeur eerste hulp te moeten verlenen. Na de vorige tempel is dit gebouw een oase van rust. Stijlvol in marmer uitgehakte boeddha-beelden vormen het middelpunt van de meditatieruimte. De vloer is bedekt met een lotusmotief. Het is er heerlijk koel en er hangt een bijzondere sfeer.
We bezoeken nog wat andere tempels tot ze ons de neus uit komen. De tempeldichtheid is op dit eiland zo groot als die van friettenten in Belgie. Als we op een gegeven moment de verschillen niet meer zien, vluchten we naar de botanische tuinen.
Na een aanval notenverkopers te hebben afgeslagen lopen we tussen echte apen. Verder is het een mooi park, met bijzondere bomen en planten. De apen hebben zich in een rij opgesteld en lijken ons nauwlettend in de gaten te houden. Maar Ben ziet dat ze een slang in de gaten houden die in een beekje zwemt. Het is een komisch tafereel. Mannen op de voorste rij, vrouwen en kinderen erachter, soms op de achterbenen staand om er niets van te hoeven missen. Even verder komt de 2 meter lange slang het water uit, wat nogal konsternatie onder de apen veroorzaakt. Ze ziijn erg nieuwsgierig en halen levensgevaarlijke naderingspogingen uit, om even later door oudere apen teruggefloten te worden.
apen op een rij houden een slang in de gaten‘s Middags proberen we wat souvenirs te kopen in de stad, maar dat blijkt niet eenvoudig. We slagen uiteindelijk in een winkeltje met Chinese ‘vlinder’vliegers van rijstpapier en bamboe, die thuis in elkaar gezet kunnen worden.


Dag 19 | Penang (Westkust), 16 augustus

Om zes uur is het weer dag, tijd om naar Borneo te vertrekken. We vliegen eerst naar Kuala Lumpur, waar Erik en Tom de souvenirs in een depot achterlaten. Vervolgens vliegen we naar Kuching, en bezoeken het beroemde Sarawak museum. Het oude deel is al in 1880 gebouwd onder visie van de antropoloog Wallace, een tijdgenoot van Darwin, op uitnodiging van Charles ‘Radjah’ Brooke. Er zijn allerlei voorwerpen van stammen uit het oerwoud van Borneo te zien, er is zelf een deel van een longhouse nagebouwd, compleet met schedels! In vitrines zien we de kunstvoorwerpen die uit neushoornvogel-schedels werden gemaakt, en de palang, een ‘hulpstuk’ dat de penan-mannen door hun penis slaan. Dit hebben ze afgekeken van de neushoorn, en schijnt het vrijgenot te verhogen, helemaal als je al een oudere man (van 30) bent. Nou Tom, wat dacht je ervan? Redmond O’Hanlon was er als de dood voor, dat iemand hem een dergelijk ‘kadootje’ zou toen terwijl hij sliep. Maar er zijn ook vele opgezette dieren, vogels en reptielen.
Op strand Bako ParkPer bus en boot gaan we naar het Bako park. Het is een flinke tocht met de boot, maar wel een hele mooie. De aanblik van de kust is prachtig. Een stuk land dat 15 meter boven de zee is uitgetilt, met bruine tinten op de wanden.

In het park aangekomen zijn we niet te houden en gaan direct aan de wandel. We lopen eerst een stuk over een plankier door een mangrovebos, en daarna de bush weer in. Nieuwe geuren, nieuwe geluiden. Na een uurtje komen we weer bij een strandje waar een grote groep heremietkreeften een vuilnisbak aan het plunderen is. Het wordt al schemerig, dus we gaan maar gauw terug.
NeusaapOnderweg ziet Erik een paar lange staarten uit een boom hangen. Als we even blijven wachten komen er drie of vier grote apen naar beneden. De bomen staan op een helling, en we kunnen het tafereel goed zien. Onze harten bonzen in de keel. Deze dikke, bleke apen zijn neusapen, een zeldzame aap die alleen op Borneo voorkomt. We kunnen ons geluk niet op en zuigen de beelden van de rustig bladetende apen in ons op. De apen heten zo vanwege de enorme neus die met name de mannetjes hebben. De maleiers noemen de aap ‘orang belanda’ naar de hollanders, die vroeger met hun roodverbrande neuzen Borneo bezochten. Het is helaas te donker voor foto’s, en Tom vergeet van de spanning zijn video te gebruiken. We staan zo lang mogelijk te kijken, tot het echt donker word, en we met zaklampen terug moeten. Doodvermoeid maar zeer tevreden duiken we het bed in.


Dag 20 | Bako Park (Borneo), 17 augustus

Paulien in mangroveWe zijn weer in ons element, en staan om zes uur op om een wandeling te maken. We slaan eerst wat proviand in, wat nog niet zo eenvoudig blijkt te zijn. We worden buiten opgewacht door brutale Meerkatten (apen) die schijnen te weten dat we net eten hebben gekocht. Later horen we van mensen die maar twee broden kochten, omdat ze tijdens de weg naar het huisje zeker een brood aan de apen kwijt raakten.
We lopen eerst weer door een stuk mangrovebos, waar een paar Mutslangoeren zitten te koekeloeren. Daarna gaat het flink omhoog, langs glibberige paadjes doorwrochten met boomwortels. Gerrie en Ben klimmen te rap voor ons, en we willen toch ook wel wat beter om ons heen kijken. Het is even schrikken als ik een trappetje bestijg, waarvan de leuning krioelt van de termieten. Vooral als je er niet op bedacht bent en er midden in grijpt. Eenmaal ‘boven’ gekomen komen we in een hittewoud, door de Iban ‘padang’ genoemd, dit betekend ‘daar waar geen rijst wil groeien’. De rotsachtige bodem is namelijk maar met een heel dun laagje aarde bedekt, en er is dus een tekort aan voedingsstoffen. De planten die er groeien moeten dus op andere manieren aan hun mineralen komen, en ontwikkelden uiteenlopende manieren om insecten te vangen. De meest bekende groep zijn de bekerplanten, en het duurt niet lang of we komen de eerste tegen. Het is een soort klimplant met wingerd-achtige stelen. Sommige bladeren hebben een verlenging waaraan een beker is gegroeid, er zijn er bij die zo groot zijn als een bierglas! In de beker zit een zoet geurende vloeistof die insecten aantrekt.
lunch op uitkijkpuntHet landschap is heel vreemd. Alle bomen lijken ooit door een verzengende hitte verschroeid, en nu weer langzaam uit te lopen. Toch is het er, misschien dankzij de bewolking, niet echt heet. Hier en daar luistert een orchidee de droogte op. Van die grote, wasachtige bloemen die je in een luxe bloemist wel eens ziet, bloeien hier gewoon in het wild!
Ook de bekerplanten blijken prachtige donkere bloementrossen te hebben. Kortom, er is weer zoveel te zien dat we haast niet vooruit komen, maar wat geeft dat. Hier en daar stroomt een beekje, donkerbruin tot rood van het looizuur. Op een uitzichtspunt eten we brood met vis en cockels (waarvan Tom moet kokken), uitkijkend over het schiereiland. Er waait een lekker koel windje.

‘s Middags ga ik naar het strand, waar ik wordt onthaalt door wenkkrabben, die met z’n allen naar me lijken te zwaaien. Maar als ik dichterbij kom schieten ze massaal hun holletjes in het zand weer in.
slijkspringerEven verderop springt een school slijkspringers door de branding. Ze zijn een mooi voorbeeld van de evolutie-overgang tussen vis en reptiel. Doordat ze water in de kiewbogen houden, kunnen ze een tijdje boven water blijven. Hun voorste vinnen zijn bijna tot pootjes ontwikkeld, waarmee ze kunnen springen en klimmen. Op hun rug zitten uitvouwbare vinnetjes waarmee ze naar elkaar lijken te seinen ‘pas op, daar komt iemand aan’.
Aan het eind van de dag gaan Tom en ik terug naar de plek waar we gisteren de neusapen zagen, en wachten weer een poosje, maar ze laten zich niet weer zien.


Dag 21 | Bako Park (Borneo), 18 augustus

vreemde rotsen in BakoDe wekker gaat om zes uur weer onverbiddelijk, maar ik kom er dit keer niet uit. Paulien en Tom denken er net zo over, dus het wordt een uur later. Op het strand bekijken we de gekleurde rotsen, die ijzer lijken te bevatten, maar hier en daar van de wand lijken te drijpen als was het chocoladevla.
We ontbijten met toast, en vertrekken met een snel bootje het mangrovebos weer uit.
kruidenmarkt in KuchingTerug in Kuching bekijken we de fototentoonstelling in het Sarawak Tourist Centre, en iedereen slaat wat souvenirs in. We lopen even over de markt, die in de galerijen voor de winkels gehouden wordt. Er is van alles te zien, de mooiste kruiden en kleurige vruchten worden op kleedjes uitgestalt. Het ruikt er dan ook heerlijk. Zo te zien is men hier minder aan de toeristen gewend, iedereen staart je aan, of wil je aanraken. We kopen een trosje bananen, die hier veel kleiner zijn dan bij ons, donkerder vruchtvlees hebben en iets zoeter smaken. We zoeken naar bapao’s, maar als dat niet lukt stillen we de trek met eiercake’s. Een busje brengt ons naar de werf, waar we in een lange, overdekte boot stappen. Bij nadere lijkt het wel een omgebouwde vliegtuigromp. De indeling van de zitplaatsen is precies zo. Het ‘vliegtuig’ wordt volgestouwd met mensen en bagage. Hier en daar zitten Penan mannetjes en vrouwtjes, lange oorlellen en tatoeages.
Er wordt muziek gedraaid, en voorin worden op twee tv’s amerikaanse worstelfilms gedraaid. Van dat vreselijke demo-molesteerwerk met Hulk Hogan en zo, maar de passagiers blijken het prachtig te vinden.
vliegtuigboten in KuchingDe boot heeft z’n vorm niet voor niets, en blijkt een enorme snelheid te kunnen ontwikkelen. We vliegen bijna laag over het water. Het stuk zee dat we in drie uur overvaren, wordt in een normale boot in twee dagen afgelegd. Het loopt al tegen de avond als we in Sibu aankomen. Deze plaats ligt aan de Rajang rivier, en heeft een belangrijke handelshaven. Het belangsrijkste handelprodukt zien we overal liggen en varen; tropisch hardhout.
We worden ontvangen door Mr. Johnny Wong, schijnt een politiek actief mannetje te zijn die voor ons een excursie langs twee longhouses heeft uitgezet.


Dag 22 | Sibu (Borneo), 19 augustus

kippen verpakt op markt SibuVanmorgen neemt Ibrahim ons mee naar de markt. Ben, het sjacherijnige stel (Jacqueline en Peter) en ik volgen ons gidsje. De markt blijkt niet zomaar en markt te zijn, want voor ieder soort artikel is er weer een aparte straat. Je kunt over de hoofden lopen, zo druk is het. De kleine Ibrahim staat om de paar stappen driftig te zwaaien en fluit ons bijeen alsof we hondjes zijn. Hij is bang dat hij ons kwijt zal raken (of wil hij misschien graag gezien worden met deze westerlingen?). Het meeste indruk wekt de vlees- en vismarkt. Het lijkt wel alsof de mensen hier de vissen uit ons tropisch aquarium eten, maar dan van ernorme afmetingen. De vleesmarkt is huiveringwekkend, alles wat beweegt wordt verkocht. Om langere houdbaarheid te verzekeren worden de dieren levend verkocht. Zo koop je levende kippen, strak in papier verpakt, en daaraan een lang touw, zodat je haar als levende schoudertas kunt meenemen. Bij het zien van de kooien met padden liepen de rillingen over m’n lijf. Dit was zo duidelijk te zien, dat de venter een donkere kooi opent, waar hij gruwelijke vleermuizen uit haalt. Om de spanning kompleet te maken haalt hij een bijl tevoorschijn en geeft een ongevraagde demonstratie vleermuisslachten. In een klap de kop eraf, uit laten bloeden en in een ruk ontvellen. Een onthoofd bloot mager scharminkel van ongeveer 20 cm. blijft over. Door onze mimiek is het inmiddels aardig druk rond het stalletje. Met een wee gevoel in onze maag gaan we weer achter ons fluitende baasje aan. Ik heb wel weer genoeg dierenleed gezien voor vandaag en wil weer terug naar het hotel. Ik heb helaas geen foto’s kunnen maken, het rolletje is vol. Ik ben blij voor Tom dat hij niet mee is gegaan, het zou zijn hart hebben gebroken.

op de express boat

We vervolgen onze tocht over de Rajang met de express-boat richting Song. Onderweg doen we een aantal longhouses aan om van passagiers te wisselen. Dit gaat ook op een express-manier; de boot laat zich tegen een aanlegsteiger of gewoon in het zand drijven, en laat de motor draaien. De uitwisseling duurt een paar seconden, en weg zijn we weer.
Paulien in borneoIk ga bij Tom, Paulien en Gerrie op de voorplecht zitten. Hier merk je pas goed hoe hard het gaat. Met de wind wapperend door de haren lijken we over het water te rijden, af en toe bonkt er iets tegen de romp. Er komen vrachtboten hoogopgeladen met boomstammen langs, meestal chinese. Er zijn erg veel houthakkerskampen te zien, en de rivier is bruin van het meegespoelde zand. Niet echt om opgewekt van te worden dus.
dajak in bootEr komt een Dajak aan boord die met z’n tanden een fles ontkurkt, en liederen voor Gerrie begint te zingen. Die vind het wel komisch, totdat de man plotseling een van haar borsten grijpt, maar vervolgens doorgaat met lallen alsof er niets gebeurt is.
We lunchen in Song, en gaan met een smallere boot, een longboat, een zijriviertje op. Onze gids, Richard, staat aan het roer. Het is een heerlijke tocht van drie uur in het zonnetje, het landschap afgewisseld met dorpjes, oerwoud, gekapte stukken en landbouwgrondjes met peper. Bij verschillende longhouses zwemmen kinderen die ons hartelijk toezwaaien. Ook komen we een paar vissers tegen, die helemaal onder de tatoeages zitten.

op de gallerij van het longhouseAls we uiteindelijk bij een longhouse aanmeren, waar we een dag te gast zullen zijn, stappen we een beetje verward over de ‘binnenplaats’. Gerrie zit al gauw ergens maleis te praten, en wij lopen maar een beetje te knikken naar de mensen die ons ook een beetje vreemd aankijken. Een oudere vrouw komt naar mij toe en zegt ‘Manna, manna’. Eerst begrijp ik het niet, maar een van de bootjongens legt uit dat het een uitnodiging is een bad te nemen. Ik zal wel gestonken hebben, en was helemaal nat van het zweet. In bad gaan wil zeggen met een sarong om de rivier in gaan. Ik heb helaas geen sarong, dus maar met het badpak aan erin. Elly probeert nog wel met een sarong in het water te gaan, maar is deze al snel kwijt. De kinderen van het dorp staan naar ons te kijken, en de vrouwen doen de was in de rivier.
oude dajak op strandjeWe verblijven in het huis van de hoofdman, hoewel je beter kan zeggen kamer, want in een longhouse woont iedereen onder hetzelfde dak. Voor alle kamers loopt een lange galerij, waar het sociale leven zich afspeelt. De Dajaks delen alles met elkaar. We krijgen een warme maaltijd, deels dingen die we zelf hebben meegenomen. Er zitten jonge varenscheuten bij, die overigens heerlijk smaken, en tropische olijven (veel minder lekker). In de deuropening hangen kinderen te gluren hoe die gekke mensen eten.

sfeer op het balkon van het longhouseNa het eten gaan we de galerij op om wat te roken, en al gauw zitten er een aantal mannen om ons heen, die ook een strootje beginnen te rollen. Zodoende wisselen we wat rookervaringen uit, en hebbeniets gemeenschappelijks om mee te kunnen kommuniceren. De mannen zien er prachtig uit, met tatoeages over het hele lichaam, soms is het net of ze een strakke broek aan hebben. Sommige hebben nog lang uitgerekte oorlellen, maar schijnen hun zware oorbellen kwijt te zijn. Gelukkig kunnen de bootjongens voor ons als tolk optreden, en zodoende horen we dat ze de oorbellen nu ouderwets vinden, en met de toeristen hebben geruild. Jammer toch.
Erik met oude DajakErik is favoriet bij een oudere man omdat hij vind dat ze dezelfde haardracht (rechtop dus) hebben. Hij wil toch ook wel even voelen. Ze gaan samen op de foto.
Met een klein groepje worden we door een deel van het longhouse gegidsd, en zien prachtige oude chinese vazen, waarin levensmiddelen worden bewaard. Een oud vrouwtje laat ons haar keuken zien, en haar handgewoven kleden (ikat). Sommige zijn wel honderd jaar oud, en worden nog tijdens speciale gelegenheden gedragen.
Dajak danser op gallerijWeer terug op de galerij is het een enorme drukte met mensen. Er komen muziekinstrumenten tevoorschijn. Op verschillende gongen wordt een speciaal ritme gespeeld. Na een nummer komt een verklede Iban tevoorschijn en begint gracieus te dansen. Hij draagt een rieten hoed met veren van de great argus en neushoornvogel. Hij heeft een Ikat-jasje aan, en een kapmes om. Hij danst alsof ie in het oerwoud sluipt, en roept af en toe met een soort vogelschreeuw of stampt met een voet.
Zijn dans wordt opgevolgd door een meisje met een zilveren tailleband waaraan Nederlandse Wilhelmientjes zitten! Haar bewegingen lijken op een Indonesische dans.
Een jongen liet toen een soort zelfverdediginsdans zien, en daarna was het onze beurt. Richard kiest Erik om mee te dansen, en iedereen deinst achteruit, want ze hadden deze reus nog niet zien staan. Het dansen gaat Erik goed af, en zo zijn we allemaal een keer de klos. Alleen Tom zit verbeten te kijken en blijft stug weigeren om te dansen. Het is ook best eng om te doen, maar je ziet dat de Ibans het hartstikke leuk vinden. En we zijn toch gekomen om te feesten?
We hebben sigaretten en wat drank meegenomen. Voor de kinderen snoep, balonnen (met ‘hartelijk gefeliciteerd’ erop) en jojo’s. Gerrie en Herman voeren nog een ‘konijnendans’ op, met maskers en iedereen ligt in een deuk. De Ibans halen zo weer een van hun maskers te voorschijn. We dansen tot we er bij neervallen.


Dag 23 | Op een longhouse, ergens in de buurt van Song (Borneo), 20 augustus

ochtendmist in BorneoOm zeven uur komt iedereen van ellende maar van z’n kokosmatje. Blauwe heupen en tientallen kraaiende hanen hebben ons de vroege morgen zuur gemaakt. De kinderen volgen ons opsta-ritueel nauwlettend. De mannen blijken allemaal allang weer vertrokken naar hun veldje, of uit vissen.
We ontbijten met cakejes en ei, en er wordt ons gedemonstreerd hoe Ikat gemaakt wordt. Voordat ze aan het weven beginnen wordt er al een patroon in de vertikale draden geverfd. En alles zo uit het blote hoofd!
We nemen afscheid en danken iedereen voor de enorme gastvrijheid, en vertrekken met de longboat naar een volgend longhouse. Het is weer een prachtige tocht verder stroomopwaarts, na een uurtje of twee kunnen we het longhouse al bovenaan een lange houten trap zien liggen.
Op het strandje is een oude vrouw een torentje bamboescheuten aan het verbranden. Wanneer het is uitgebrand, zoekt ze tussen de grijze as naar de resten van schelpjes die erin lagen. Op deze manier voorzien de Iban in hun kalkbehoefte!

We worden hartelijk door een oude hoofdman ontvangen. Ook zijn bovenlijf is met tatoeages bedekt. Opvallend zijn de bloemmotieven op de schouders, die zouden betekenen dat hij koppen gesneld heeft, maar de meeste Iban praten daar liever niet meer over. Van moed en uithoudingsvermogen getuigen de motieven op zijn keel. Dat moet heel pijnlijk zijn geweest.
galerij longhouseOp de brede veranda liggen op kokosmatten peper- en graankorrels in de zon te drogen. Met een lange rietstengel, bedient door iemand in de schaduw, worden de loslopende kipen erbij vandaan gehouden. Het is al snel duidelijk dat dit een minder traditioneel longhouse is. Er staan stoelen en tafeltjes, en overal hangen posters van maleise popsterren aan de muur. Veel mannen werken in de hardhout-industrie, en zijn soms voor lange tijd afwezig. De gemeenschap die hier woont maakt ook lang niet zo’n indruk van saamhorigheid als in het vorige longhouse. Daar ging men overdag vissen, jagen, of op het landje werken, maar kwam ‘s avonds gewoon weer thuis, om deel te nemen aan het gemeenschappelijke leven.
Dit longhouse wordt echter bewoont door vrouwen met kinderen en oudere mannen. Richard neemt een deel van de groep mee om te laten zien hoe deze mensen aan hun eten komen. We lopen langs peperplantagetjes, cacaobomen, koffiestruiken, durianbomen en varens. Na een half uur zijn we allen lek gestoken door de muggen en doorweekt van het zweet. Erik heeft het beter bekeken, die is gaan zwemmen met Ben en Herman.

Hetty komt mij vragen hoeveel ik over heb voor ‘die grote zwarte vlinders’. Ik stuif op, want al dagen zit ik op die Rhadja Brooke vlinder te azen. Het is een grote vlinder met felgroene ‘tijgerstrepen’, die door het bladerdak van het oerwoud zweeft als een papieren vliegtuigje. Maar ik heb ze nog nooit ergens stil zien zitten, en hang dus voor een keer aan Netty’s lippen om te weten waar ze die vlinders gezien heeft. Met een ironische glimlach wijst ze onder het schijthuis, en ja, door de spleten van het bamboe zie ik drie a vier exemplaren op een plasje zitten. Tja, ik zei toch al dat mineralen schaars zijn in het oerwoud (maar zo schaars...).
Rhadja Brooke vlinders in de shitIk loop dus onder het longhouse door, dat op palen is gebouwd, baan me een weg door de kippen, en kom onder het schijthuisje aan. Hoe viezer het voedsel, hoe mooier de vlinders, zo lijkt het hier te gelden. Tijdens het fotograferen wordt ik nog even opgeschrikt door Herman, die boven mij in het schijthuis zijn diafragma niet kan beheersen, maar gelukkig weet hij tijdig de zelfontspanner een paar stops uit te stellen. Ik moet nog even denken aan het boekje ‘Hoe blijf ik gezond in de tropen’, waarin stond welke wormsoorten zich in fecalieen ophouden, en voel ze bijna langs m’n been omhoogkruipen, maar voor een mooie foto moet je toch iets over hebben niet?
Ondanks dit smakeloze avontuur smaakt de lunch prima (een kliekje van gisteren). We nemen maar weer een duik in de rivier, waar we weer uit worden gejaagd door visjes die in je moedervlekken bijten. Er passeren bovendien heel wat boten. Ook de oude hoofdman is druk in de weer met z’n bootje. Voor hem geen middagdutje. Tom en ik zwemmen naar de overkant. Als Tom al terug is, komt de oude man mij ‘redden’. Eerst bedank ik nog beleefd, maar als hij blijft aandringen, stap ik toch in het onstabiele kanotje. Onderweg bedenk ik wat er zou gebeuren met de man als dit wankele geval om zou slaan. Maar daar ben ik wat laat mee, dus doen we samen hard ons best droog de overkant te halen.
hoofdman snijdt pijlenIk vind deze oude man nog wel het meest interessant van alles wat er in dit longhouse gebeurt. Wat een leven heeft hij gehad, welke enorme veranderingen meegemaakt. Hij gaat die middag in de deuropening zitten met wat palmscheuten. Ik ga naast hem zitten om te zien hoe hij pijlen voor het blaasroer maakt. Als hij even later de houten pijp van zolder haalt, mogen we op een bananebloem oefenen.
Erik met blaasroerJe moet het blaasroer op een bepaalde manier vasthouden, en omdat hij uit hardhout gemaakt is, valt het gewicht best tegen. Het gaat Gerrie erg goed af, tot Richards verbazing schiet ze vier keer raak.
Gerrie en ik gaan even later met de oude man mee om, zoals zij dacht te verstaan, varkens te jagen voor het eten vanavond. Reuze spannend natuurlijk, nu gaan we met ons drieen in het wankele bootje. We vragen ons af hoe de hoogbejaarde man (hij zegt in de negentig te zijn) nog op varkens kan jagen. Aan de overkant gekomen, lopen we langs een peperveldje naar een schuurtje op palen, waar twee varkens onder lopen. We gaan de varkens te eten geven! We gaan ze dus zelf niet eten, maar goed ook. Het landje van de man is keurig verzorgd, er groeit peper, cacao, wilde durian en papaya.

We eten ‘s avonds weer prima, op de tropische olijven na, die eigenlijk alleen qua vorm op de mediterrane lijken. Als wij klaar zijn met eten, gaan de bewoners zelf. Er zijn niet veel mannen teruggekomen. Omdat er veel in de houtindustrie werken, en vaak een maand van huis zijn. Daar staat tegenover dat er meer verdient wordt, en dat is aan dit huis goed te zien. Wij zijn alleen van deze ontwikkelingen niet erg gecharmeerd, omdat het binnen afzienbare tijd afloopt.
hoofdman voert ritueelEr wordt een welkomsceremonie gehouden. Op de grond staan drie rijen met elk acht kommetjes rijst, creackers, eieren. Alle ingredienten worde met zorg op een grote schaal gelegd, en de oude hoofdman preveld een gebed terwijl hij met een levende haan rondtrekkende bewegingen over de schaal maakt. Op rij af noemt iedereen zijn naam als de oude man met de haan voorbij loopt. Deze ceremonie zorgt ervoor dat wij het lonhouse geluk en voorspoed brengen. In het longhouse waar we gisteravond waren is dat niet zo gelukt, vanmiddag horen we dat er een oude vrouw is overleden. Als dat tijdens onze aanwezigheid was gebeurt hadden we volgens Iban-traditie moeten blijven tot de dode begraven is. Dat kan wel een week duren.
Er wordt een gettoblaster tevoorschijn gehaald, en op gitaarmuziek begint een man met een rieten hoedje op te dansen. Eerst krijgen we allemaal een hand, dan slaat hij een kopje tuak achterover en begint sierlijk te bewegen.
paulien danstNa zijn dans is er niemand meer die wil, dus danst Dorien wat. Dan durft een van de Iban-meisjes ook. Allemaal met datzelfde rare stohoedje op, die zo uit een goedkope souvenirshop lijkt te komen. We kunnen op deze manier goed het verschil met het vorige longhouse zien, en zijn blij dat het eerst mee te hebben gemaakt.
Als stukje van ons eigen cultuurgoed voert Dorien met haar moeder twee emmertjes water op, en met de kinderen de Zevensprong in het maleis; ‘en dat is satu, dua, tiga, empat, lima, enam... en dat is tuuujuuuuuh. De konijnendans van Gerrie en Herman valt hier ook erg goed. Maar als de kleine kinderen een sierlijk dansje opvoeren is iedereen helemaal vertederd. Prachtig!
Helaas gooit Gerrie er een lambada-bandje in en iedereen haakt vol onbegrip af. Dat is toch teveel cultuurvervuiling. Iedereen is rozig van twee nachten feest en weinig slaap en gaat naar bed. Het voordeel van een luxer longhouse is dat er matrasjes zijn, en er wordt beter geslapen dan gisteren, hoewel de hanen hier net zo vroeg beginnen te kukelen.


Dag 24 | Op een ander longhouse (Borneo), 21 augustus

Het eerste wat we zien bij het opstaan zijn kleine jongetjes met konijnemaskers op, die ons opstaritueel weer met veel belangstelling gadeslaan. We ontbijten simpel en na een demonstratie rijststampen nemen we afscheid.
We varen langzaam terug, laten ons met de stroom terugvoeren. Bij een schooltje voor Ibankinderen maken we nog even een tussenstop om te kijken hoe het er hier aan toe gaat. De kinderen blijven tot hun vijftiende op deze school, en moeten daarna naar de `stad’. De meesten komen niet meer in hun longhouse terug.
In Song vallen de meesten de cola aan, en nemen we afscheid van Richard. De epressboat voert ons weer in een bloedgang naar Sibu terug. Ik houd het binnen niet lang uit, die vreselijke amerikaanse worstelwedstrijden of chinese gruwelfilms op tv. In het gangetje staat een half doorgezaagd olijvenblik met twee levende zoetwaterschidpadden erin. Hun spitse kopjes door het gaas stekend. Ik kan het bijna niet aanzien, en ga buiten op de voorplecht zitten.
Om half twee zijn we weer in Sibu, en gaan Kentucky Fried Chicken eten. Afschuwelijk! Na een wandel/slentertocht op zoek naar Ikat-kleden voor Tom gaat ik terug naar het hotel.

Erik zijn darmen zijn aan het rommelen, dus gaat op bed liggen zodat hij morgen hopelijk weer beter is. In Sibu staat een grote protserige chinese tempel die we bij aankomst hebben gezien.Tom, Ben en ik gaan er een kijkje nemen.
Op het eerste gezicht ziet het er allemaal heel chaotisch uit. Mensen komen binnen met schalen eten, zetten die neer en vertrekken weer. Andere komen alleen binnen om eten op te halen. Het bidritueel is heel vreemd. Tijdens het bidden worden er steeds twee niervormige houten blokjes opgegooid en weer opgeraapt. We staan blijkbaar zo nieuwsgierig te kijken dat er een chinees naar ons toe komt. Deze meneer Tan legt ons uit dat de schilderingen op de muren hun goden voorstellen. Dat zijn er dus nogal wat, want de hele tempel is rondom versierd met schilderijen. De houte nieren blijken Yin en Yang tekens te zijn. Het bidden is iets anders nl het communiceren met de overleden voorouders. Aan hen worden vragen gesteld en zij geven via de Yin-Yang tekens een ja of nee antwoord (vallen de houtjes op de zelfde zijde, dan is dat ja).Soms bidden ze tot een van hun goden om hulp te krijgen. Doordat het eten door de goden wordt gezegend zal hun hulp komen wanneer ze het voedsel later opeten. Ik krijg een manderijn die gezegend is door de godin van de schoonheid. Meneer tan heeft een gebed gedaan zodat de manderijn mij groter, maar vooral steviger zou maken. Via het tempelgeld tonen de mensen hun dankbaarheid aan de goden.
Nadat we de toren van de tempel hebben beklommen gaan we terug naar het hotel. Erik voelt zich al wat beter. Ik denk er even aan om Erik mijn gezegende manderijn te geven, maar krijg er toch een raar gevoel bij. Ik besluit hem toch zelf op te eten. De manderijn is vreselijk zuur, maar ik eet hem tot en met het laatste mootje op. Je weet maar nooit! (Na de reis blijk ik maar liefst 5 kg te zijn afgevallen en weeg ik nog maar 50 kg).

Die avond zijn we gast bij mr. Wong, en hij nodigd ons uit om te gaan eten bij Ching Kong Leu (chinees dus). Als verrassing heeft hij voor ons allemaal een Malaysian News, de chinese krant van Sarawak, waar wij met een groepsfoto in staan! We kunnen het niet lezen, maar mr. Wong vertaald dat hier vermeld wordt dat er een groep van twaalf nederlanders twee longhouses zullen bezoeken. We laten ons het eten heerlijk smaken, en bedanken mr. Wong voor zijn attentheid. Arme kleine Ibrahim geeft ons bij het afscheid nog een briefje ‘please write to me’.


Dag 25 | Sibu (Borneo), 22 augustus

houtkap op borneoDe expressbus vertrekt om zes uur, dus we moeten weer vroeg op. We hebben een tocht van zes uur voor de boeg over een slechte weg. Op een gegeven moment rijdt de bus een band lek. We wachten in de berm waar het bloedheet is. Tot nu toe hebben we door grote gekapte en platgebrande gebieden gereden, en er is dan ook geen schaduw te vinden, behalve onder mijn paraplu die ik voor het eerst tegen de zon gebruik. Vrachtwagens vol boomstammen passeren, al met al geen vrolijk gezicht. Men probeert wegen aan te leggen maar je kunt goed zien dat tijdens hevige regenval al grote stukken grond zijn weggespoeld. Hoe zal het er over tien jaar uit zien? Je kunt nu al voelen dat de lucht hier veel droger is dan in de begroeide gebieden.

Tom in Niah cavesIn Buta Niah doen we wat boodschappen voor het avondeten, en stappen over op taxi’s die ons naar het park brengen. We verdelen ons over twee chalets, en een uur na aankomst staan Tom, Ben, Erik en ik alweer klaar om naar de caves te gaan.
De wandeltocht erheen is over een ‘plankwalk’ zodat we meer om ons heen kunnen kijken in plaats van op het pad te moeten letten. Na anderhalf uur wandelen door een prachtig bos, met hoge bomen met plankwortels, bereiken we de eerste grotten. Het licht valt schuin naar binnen, de zon is al aan het zakken, en langs het plafond trekken de eerste vleermuizen naar buiten. Alsof de wacht wordt afgewisseld, vliegen de zwaluwen naar binnen, en keren terug op hun nestjes hoog tegen het plafond geplakt. We wachten tot het helemaal donker is en lopen terug. Vanuit de grot lijkt het of we in een disco terecht komen. Tientallen groene knipperende lichtjes zweven om ons heen. Dit zijn de mooiste onverwachte momenten en het is moeilijk een dergelijke ervaring over te brengen. Het is niet te filmen of fotograferen, je moet het hebben meegemaakt.
lichtgevende paddestoelWe lopen in het donker verder over de ‘plankwalk’. Een halve meter onder ons, op de bosgrond ligt iets lichtgevends dat niet wegvliegt. Erik klimt van het plankier en komt met een tak vol lichtgevende zwammen weer boven. Ze geven een soort zachtgroen licht, met een beetje inspanning kun je er een boek bij lezen! Heel mystrieus. We lopen langzaam terug en geven onze ogen goed de kost. Zo vinden we nog vier andere soorten lichtgevende zwammen. Een heeft alleen een verlicht stammetje, net een neonbuisje, en een gewoon donker hoedje (zie afbeelding hierboven - met de muis erover bewegen voor het effect - niet klikken). Er is ook lichtgevend mycelium, de ‘wortels’ van de paddestoel, die een afgevallen blad zo hebben bededekt dat het hele blad licht lijkt te geven. Magic!
Met een heel voldaan gevoel komen we om half tien terug in het chalet, en dan is het eten, drinken en slapen.


Dag 26 | Niah Caves (Borneo), 23 augustus

boswandelingWe slapen lekker uit, en eten ons rantsoen brood op. Om negen uur vertrekken we om de trail langs de Limestones te lopen. Het is zwaar lopen bij deze hoge temperatuur en luchtvochtigheid. Grote bomen zijn door wurgers in de houdgreep genomen. Hierdoor heeft het pad een mysterieuze sfeer. Tijdens het lopen halen links en rechts de prachtige vlinders ons in, maar ze zitten helaas weer nooit stil. Alles groeit veel sneller bij dit tropisch klimaat, zo ook mijn opkomende verkoudheid. Die middag blijf ik maar in het chalet.
Erik Ben en Tom trekken er nog op uit om de uitvlucht van de vleermuizen nogmaals te zien. Ze komen door het met zwammen en vuurvliegjes verlichte woud terug.


Dag 27 | Niah Caves (Borneo), 24 augustus

Paulien in Niah caveWe nemen ons voor vroeg op pad te gaan, maar het is al 9 uur als we via de plankwalk naar de grotten gaan . De wandelening duurt inmiddels nog maar drie kwartier, alleen Erik en Tom doen er langer over. Ze komen die duitse bioloog weer tegen met twee ontdekkingen: een grote wandelende tak van 40 cm, en een rode(!) duizendpoot.
We gaan dit keer de hele grot door, die zo groot is dat er een kerk in kan staan, 80 meter hoog en 400 meter diep. De uitgang naar buiten is zo groot dat je mooi op het oerwoud uit kan kijken. Dieper de grot in wordt et steeds donkerder, en de stank van guano (de vleermuizen en zwaluwenmest) sterker. Hoog tegen de wand volgen we de lichtjes van nestjesplukkers, die halsbrekende toeren uithalen om de vogelnestjes van het plafond te steken. Het levert ze 300 ringitt per kilo op.
zwaluwenWe lopen door naar de painted cave, een replica van een eeuwenoude muurschildering die zich dieper in de grot bevindt. Toch wel een mooi gezicht. Er liggen ook houten bootjes, waarin vroeger de dodoen werden bijgezet. Paulien is moe, en loopt snel terug (normaal wandeltempo dus), samen met Ben. Tom en ik op ons eigen tempo (dus langzaam). We zien op de terugweg nog hoe een plukker in rap tempo tegen de wand opklimt, als een vlieg zo rap. In de grot weerkaast het geklik van de honderden zwaluwen. In de great cave valt het zonlicht nu mooi door een paar gaten, waardoor een cathedraal-effect ontstaat. Helemaal kletsnat van het zweet en onder het vuil komen we de grot uit. De zwaluwen en vleermuizen eten per dag ongeveer 4 ton aan insecten, en daar moeten ze erg veel van poepen. Je hoorde het soms om je heen spetteren.

niah grottenTerug in het chalet lekker mandieen, inpakken, luchen en naar de taxi. Normaal hadden we de bus van 11 uur moeten hebben, maar omdat we langer in het park wilden blijven, gaan we om drie uur met de taxi naar Miri.
Er wacht ons aan de overkant van het riviertje echter een verrasing, er komt maar een taxi in plaats van de drie die we hadden besteld. De verwarring is helemaal groot als blijkt dat er verder geen taxi’s meer naar Miri rijden. Een man met een busje bied ons gelukkig aan om ons voor M$ 15,- weg te brengen.
De weg is vreselijk slecht, en het lijkt alsof het rubber van de banden ons om de oren vliegt. We blijken over de fundering van een aan te leggen asfaltweg te rijden. Na 20 km. wordt het beter. We komen na anderhalf uur in Miri aan, waar Gerrie al ongerust zit te wachten.
Het hotel is het properste wat we tot nu toe hebben gehad. We maken ons klaar om te gaan eten (vuile kleren in de guano-kast). Op aanraden van Gerrie eten Tom, Ben, Paulien en ik bij Maxim’s (alweer een chinees) en gaan ons helemaal te buiten aan Pekingeend, enorme garnalen (op de barbeque), en Ben zoekt een grote rode vis uit voor de sweet & sour fish. Het wordt een waar feestmaal. De andere groepsleden kijken over onze schouder mee, en bestellen voorzichtig ook wat bij. Tijdens het eten schiet er een rat door het restaurant richting de keuken, maar daar lijkt niemand van op te schrikken. Dit zal voorlopig de laatste keer zijn dat we zo lekker kunnen eten. De prijs van dit bachenaal is een lachertje, ongeveer f 13,- de man.
In een supermarkt koopt Paulien die avond nog een Fido-shirt en wat ansichtkaarten. We zoeken Ben tussen alle (andere) chinezen, geen geringe opgave, en gaan uiteindelijk zonder hem terug naar het hotel om de kaarten te schrijven terwijl de rest van de groep een bar opzoekt. Het is een heerlijk zwoele nacht. Paulien krijgt nu flink de hoest te pakken en gorgeld en slikt om er weer snel vanaf te zijn. We besluiten de dag met een heerlijk bad.


Dag 28 | Miri (Borneo), 25 augustus

Dajak opa met oorbellenVanaf het vliegveld Miri vertrekken we naar de noordelijke staat van Maleisië op Borneo, Sabah. Op het vliegveld komen we een oude Iban-opa tegen met een rode pet en prachtige grote zware koperen oorringen, waardoor zijn oorlellen wel 5 cm. opgerekt zijn. Gerrie knoopt een praatje aan en Erik maakt een foto.
We worden afgehaalt met een busje waarmee we naar Kota Kinabalu rijden. Onderweg stoppen we bij een dorp op palen in zee, waar Filipijnse bootvluchtelingen wonen. In het stadje hebben we even tijd om wat boodschappen te doen. Het zoeken naar leuke T-shirts begint weer, maar valt niet mee.
sabah, borneoWe eten lekkere roti’s in een indiaas restaurantje van formaat pijpela. We worden door de rest van de gasten aangegaapt. In de boekwinkel van het Hyat-hotel vinden we een boekje over bekerplanten op de mount Kinabalu.

Met een busje rijden we in twee uur door een heuvellandschap naar het park. We proberen onderweg de bergtop te ontwaren, maar hij blijft in de wolken gehuld. Het basiskamp is mooi tegen de heuvel aangebouwd. We slapen met z’n allen op een slaapzaal, weer op stapelbeden. Na het eten bekijken we een diavoorstelling over het park. Het is er een zoals we al eerder over Taman Negara en Bako zagen; het park wordt gepresenteert als een plaats voor ‘relaxation and exitement’. Naderhand praten we met een van de parkwachters over het probleem van de ontbossing op Borneo. Het is gebleken dat al 65% van hun oerwoud gekapt is. Een zwitserse jongen die in Irian Jaya is geweest vertelde een verhaal over een interview. Hij wilde een plek bezoeken waar werd gekapt. Ze moesten in een computer zoeken waar er nu gekapt werd, en het duurde een halve dag vliegen met de helicopter boven kaalslag voordat ze er waren. Voor iedere bruikbare boom moeten er 10 andere worden gekapt. Die naderhand worden verbrand.

Erik bij kantoor Mt KinabaluDe parkwachter wil niet te veel uit de school klappen over de corruptie en het machtsspelletje dat er door de politiek wordt gespeeld om zich te verrijken aan het regenwoud. Iedereen die in opstand komt wordt vervolgt. Ze voelt er weinig voor een tweede Bruno Manzer te worden. Deze zwitser leefde acht jaar onder de Penan in het oerwoud, en leerde de oerwoudbewoners voor zichzelf op te komen. Uiteindelijk werd hij door de regering ongewenst verklaard, en moest het land uit vluchten.
Ook hebben we het nog even over de Rafflesia, die op het punt staat uit te sterven. Deze parasitaire plant bestaat voor het grootste deel uit wortels, die over de oewoudbodem lopen. Als de plant bloeit, geeft ze de grotste bloem ter wereld met een doorsnede van soms meer dan een meter. Deze bloemen zijn momenteel echter veel geld waard omdat de chinezen er een drankje van brouwen dat zou helpen tegen moedervlekken. Als er in het park een bloeit houdt men dat liever stil, anders zouden de toeristen de wortels kunnen vertrappen.


Dag 29 | Mount Kinabalu (Borneo), 26 augustus

Vandaag gaan we de klim wagen. Naar de hoogste berg van Zuid-oost Azie. Om half negen worden we met een busje naar het begin van de trail gebracht, bij een ‘Powerstation’. Onder begeleiding van twee gidsen lopen we de berg op. Het eerste stukje gaat door wat regenwoud, maar dit gaat al snel over in eikenbos. Niet zoals wij dat kennen, maar veel vochtiger, met zeker 40 verschillende soorten eiken. De ondergroei is ook heel anders, varens in alle kleuren en formaten. Het mooist is nog wel de boomvaren. De naam legt al precies uit hoe hij eruit ziet. Een bruine, schubbige staak van twee meter is getooid met een varen van zeker twee meter in doorsnee.
pad naar mount KinabaluOp de vochtige eikenstammen groeien ontelbare orchideeën. Er komen op deze berg wel 40 soorten voor, maar volgens de gids bloeien er nu slechts 4 soorten. De gids, een ventje van een jaar of 24, weet erg veel van de planten die er op Mount Kinabalu groeien. Hij blijft regelmatig staan om ons een soort aan te wijzen, en vervolgens een Latijnse naam uit te spreken die wij helaas al weer snel vergeten. Hij verteld dat hij een speciale studie volgt om alle planten bij naam te kunnen noemen. De orchideeën die er bloeien zijn prachtig, zulke tere bloempjes tegen in ruige omgeving. Er bloeit nog veel meer, de roze Kinabalu-balsemien, een endemische soort, een wat hogerop enkele rododendron soorten, waarvan we die hele fijne kleine rode met trompet-achtige bloempjes toch wel het mooiste vinden.
Het pad is prachtig aangelegd met trapjes van boomstammetjes. Helaas is de hoogte van de treden wat aan de ruime kant, zodat de knieën het toch nog zwaar te verduren krijgen. De gids heeft er echter ondanks zijn korte beentjes geen moeite mee en springt als een berggeit omhoog.
De rest van de groep snelt als gewoonlijk weer van ons weg, zodat Paulien, Tom en ik rustig kunnen doorlopen om alles goed in ons op te nemen. Langzaam stijgen we door, tot het eikenbos steeds vochtiger wordt en overgaat in nevelwoud. Het waait alleen zo hard dat er geen nevels in hangen en de lange lichtgroene baardmossen in de bomen hangen te dansen. Wat er nog meer danst is de ‘dancing fern’, een hoge varen die zo is vertakt dat je er mensfiguurtjes in kunt herkennen. Als de wind er doorheen blaast, lijken ze inderdaad te dansen.
Nepenthes villosaDoor de harde wind krijgen we wel een prachtig uitzicht op de berg. De bomen worden korter en er staan steeds meer boomvarens langs het pad. Er zijn geen boomstamtrappetjes meer. We komen in een stuk waar bekerplanten groeien. Wingerd-achtige planten met puntige bladeren die soms zijn vergroeit tot een stekelige beker van soms 20 cm. doorsnee. De grote rode monden lokken met een zoete geur de insekten naar binnen, die langs de kleverige wanden naar beneden glijden en door de sappen onderin de beker worden verteerd. Een elegant dakje boven de beker verhoed dat het regenwater de verteringssappen teveel verdunt. Het is een intrigerende plant met een buitenaards voorkomen. Sommige staan in bloei met donkerrode toortsen. Volgens een bordje is dit de Nepenthes Villosa. Er komen op de berg nog zo’n 65 andere soorten voor, waarvan de Nepenthes Radjah de grootste is en wel 4 liter vloeistof kan bevatten!

Boven de wolkenHoe hoger we komen, hoe harder de wind over de struiken raast. Het wordt een bijna spookachtig sfeertje. De herinneringen aan Het Boze Bomenbos uit de Fabeltjeskrant komen weer tot leven. De bomen zijn hier even grillig en misvormt. De temperatuur begint ook al aardig te dalen en we trekken onze windjacks aan.
Het moet hier in de gunstige tijd een bloementuin zijn, want iedere boom of struik is overwoekerd door de ranke blaadjes en knolletjes van orchideeën. De eerste 3 ‘mile’ gaan ons goed af, maar de laatste loodjes wegen weer het zwaarst. Om 2 uur lopen we door struikjes die niet boven onze middel uitkomen, en zien we de berglodge liggen. Een houten chalet op palen waar ongeveer 70 mensen kunnen overnachten. Als we het trapje oplopen merken we dat het toch niet geringe bouwsel staat te schudden in de wind. We eten een beetje. Al het eten en drinken moet over dezelfde weg als wij gelopen zijn worden aangevoerd. Er schijnt zelfs een vrouwtje van in de 60 te zijn die de route nog steeds elke dag loopt met een nieuwe voorraad proviand op haar rug!
We genieten nog even van het adembenemende uitzicht over de wolken en de ondergaande zon, maar dan gaan we vroeg naar bed want de warme douches zijn koud, de eetzaal onverwarmd maar de bedden lekker warm. Bovendien moeten we er morgen heel vroeg uit om het laatste stuk te lopen en de zon op de top op te zien komen.


Dag 30 | Mount Kinabalu (Borneo), 27 augustus

2.45 uur. De wekker van Gerrie gaat in de ruimte naast ons af, maar bijna iedereen is nog wakker want slapen op 3300 meter hoogte gaat niet best. De wind giert nog rond het huis en doet alsof ze ons uit bed wil schudden. Beneden in de eetzaal is een druk overleg gaande met de gidsen of het risico om van de top te worden geblazen niet te groot is. De conclusie is dat het niet zonder gevaar is maar wel mogelijk moet zijn. Het vertrek uitstellen tot het licht wordt is niet mogelijk want dan is de top in de nevelen gehuld. Ben springt uit bed om te vertrekken en na hem volgen Elly, Erik, Tom en Gerrie. Helaas heb ik door mijn verkoudheid last van hoofdpijn op deze hoogte, en wil niet de reden zijn waarom de groep straks misschien terug moet dus besluit niet mee te gaan. Jacqeline doet nog even haar best het groepje te ontmoedigen maar het mag niet baten. Ze vertrekken (deels met mijn kleren aan) naar de Top. Een verslag van dit avontuur:

“Brrrrrrrrrrrrrrrrrrr”

Ik heb nog steeds de pest in dat ik dat avontuur heb moeten missen door die ‘bonk bonk bonk’ in mijn hoofd, ik had liever ‘Brrrrr’ gehad.-

We pakken ons heel dik in omdat ons koude beloofd is. Met het lantaarntje op mijn hoofd zie ik er als een zot uit, maar het blijkt enorm handig. Dapper stappen we de gure wind in. Een gids voorop en een achteraan. Het is echt aardedonker als we via gammele eikenstammen trappetjes naar boven klimmen. Het begin is niet eens zo heel erg steil, maar door de hoogte waarop we zitten toch al zwaar genoeg om voor wat kortademigheid te zorgen. Om de tien minuten stoppen we even om op adem te komen. Verderop komen we nu ook andere klimmers tegen. Het valt niet mee, zo zonder ontbijt. Vooral Elly krijgt last van misselijkheid.
Na anderhalf uur komen we uit de begroeiing en voor ons zien we de vage contouren van een kale rots. Er volgt een stukje via touwen, best eng. Want in de beschutting van de struiken was nog niet echt te merken hoe hard het eigenlijk waait, maar hier gilt de wind over de kale rots. Met twee handen aan het touw en het zaklampje op de rots gericht klauteren we gebukt omhoog. Tegen de rots aangedrukt pauzeren we even. Diep onder ons fonkelen lichtjes van dorpjes en de berghut. Boven ons fonkelen de sterren. Toch wel een adembenemend gezicht.
EzelsorenWe kunnen niet lang blijven liggen want in de wind koel je snel af. We klauteren verder en langzaam wordt het licht. Nu we wat beter om ons heen kunnen kijken zien we pas waar we mee bezig zijn. We bevinden ons op een breed hellend plateau dat toeloopt naar de bergkam. Rechts van ons het silhouet van de ‘ezelsoren’ zoals deze rotsformatie wordt genoemd en bekend is van de plaatjes. De wolken onder ons worden langzaam steeds rosser en het dringt tot ons door dat we niet op tijd op de top zullen staan om daar vanaf de zon op te zien komen. Maar we zijn al verder dan ik ooit had gedacht met die harde wind, dus elke meter is nu winst. Het klimmen gaat nu niet meer aan maar langs het touw. We lopen schuin voorover tegen de wind in. Het gaat erg zwaar en er moet regelmatig worden gestopt. Dan komt de top in zicht, ze wordt oranje opgelicht door de opkomende zon. De klauterpartij krijgt ineens weer doel en als we mensen op de top zien die er kennelijk niet afgeblazen worden zetten we er iets meer vaart in.
Lowe's PeakDe top ligt op 4101 m. als een kromme kegel op het plateau. De plasjes water om ons heen raken steeds dichter bevroren en de handschoentjes komen goed van pas. Ik zie al mensen met hun sokken om hun handen lopen. Gerrie is als eerste boven, ik volg een kwartier later, om half zeven samen met Elly. Het is er een drukte van belang met Chinezen, Japanners, Maleiers en een Italiaantje. De top is echt spits, er kunnen misschien maar 12 mensen op zitten, en iedereen is in een uitgelaten stemming en maakt foto’s van elkaar. Als ook wij op alle denkbare manieren onze beproeving voor het nageslacht vastgelegd hebben en onze vingers bijna bevroren zijn, beginnen we aan de terugtocht. Al gauw blijkt dat je over het afdalen niet te licht moet denken, je bovenbeenspieren moeten constant klappen opvangen.
de afdalingHet is nu licht, het zonnetje schijnt en ver beneden ons ligt de rest van het park. We lopen rustig naar beneden, ieder op z’n eigen tempo, namijmerend over de belevenissen van het afgelopen etmaal. De gidsen huppelen de berg af, maar ik heb het touw toch af en toe nodig om ‘ab te seilen’. Vreemd dat het landschap er nu heel nieuw uitziet omdat we de heenweg in het donker hebben gelopen. Het laatste stukje is erg zwaar, en ik strompel om half negen de drempel van de berghut over. Paulien en de rest van de groep zijn natuurlijk erg benieuwd hoe het is vergaan. Ik vind het ontzettend jammer dat Paulien niet in staat was om mee te gaan. Helemaal misselijk van de inspanning kan ik nog net een kop thee naar binnen slaan, en laat me uitgeput in bed stoppen. Na een uurtje gaat het beter en kunnen we ons voorbereiden op de rest van de afdaling.
uitgeput van zware tochtWe eten nog langzaam wat sultana’s en vertrekken met z’n vieren als laatsten van de groep om tien uur. Om één uur gaat het busje weer vanaf het Powerstation, dus kunnen we nog drie uur over de afdaling doen. We nemen de techniek van de gidsen over om af en toe de trappetjes af te huppelen. Toch nemen we nog de tijd voor een mooi uitzichtpunt of een bijzondere plant. Het weer is wat veranderd en als we in het Nevelwoud komen hangen er nu wel wolken in. Wat is dit toch een schitterend en afwisselend bos. Er steekt nog een slangetje het pad over en als ik het pak schieten de gidsen een meter achteruit. Het schijnt een giftig exemplaar te zijn maar dat kan ik nauwelijks geloven, het is zo’n kleintje. Ik ren Paulien achterna om hem haar te laten zien.
Nevelwoud op KinabaluVogels zien we niet zo veel op een paar mountainblackbirds en een soort merel met rode borst na. We lopen keurig op schema en lijken het op tijd te halen, als Paulien bij het trapjes huppelen over een loszittend stammetje struikelt en languit gaat. Ze schuift op haar buik nog twee treden omlaag en blijft even liggen. Ik schrik me rot. Ze denkt haar sleutelbeen gebroken te hebben, maar het blijkt flink gekneusd. Ontzettend vervelend natuurlijk, op de laatste driehonderd meter.
We strompelen uitgeput naar de bus... die al weg is. We lopen de weg nog wat af tot er na een uur een busje komt die ons terug brengt. In het hoofdkwartier van het park halen we een oorkonde die de beklimming bevestigd, en drinken we gezamenlijk thee rond de open haard met de bijbehorende heldenverhalen natuurlijk.
‘s Avonds ben ik rillerig van uitputting, Paulien van verkoudheid en ellendigheid en denken bij onszelf dat we al aardig aan het eind van ons latijn zijn. We gaan vroeg naar bed, maar een grote groep Chinezen uit Brunei -die de klim kennelijk nog moeten maken - houden ons nog even wakker.


Dag 31 | Mount Kinabalu (Borneo) 28 augustus

Paulien met bekerplantWe zijn toch weer aardig vroeg op en lopen het balkon op. In de bosrand zijn allerlei vogels aan het foerageren. We krijgen er zelf ook trek van en gaan ontbijten in de ‘Kinabalu Balsemien’.
Op het reisschema staat een tocht naar een idyllisch eilandje voor de kust, maar Tom, Ben en ik zijn nog te veel in de greep van de berg. Het blijkt mogelijk dat we wat langer blijven en aan het eind van de dag naar het eiland reizen, de groep achterna.
Gedrieën besluiten we een tochtje rond de voet van de berg te maken, zolang er maar gaan hoogteverschillen in zitten, want zelfs een drempel veroorzaakt al de hevigste spierpijn in de bovenbenen. Het is wel een prachtige tocht. We zien weer andere orchideeën, een vreemde larve van een kever en een nog vreemdere tropische specht. En steeds weer een andere blik op de berg, die nu oneindig hoog lijkt, maar waar we 24 uur gelden nog bovenop stonden.
Als mooie afsluiting van de wandeling nemen we een heerlijke verse fruitsalade met papaya, meloen, rambutan en ananas. In de boekhandel van het park kopen we een prachtig boek over de oerwouden van Maleisië, en wat informatieve boekjes over het park. Met een taxibusje rijden we in drie uur naar Kota Kinabalu voor een onwaarschijnlijk lage prijs. We zijn zoals afgesproken om zes uur bij Simbal Travels, van waaruit we met een bootje naar het eiland Mamukan varen. We zitten tussen de pannen met eten voor de rest van de groep en genieten van de zonsondergang op zee.
De chalets op het eiland zijn prachtig aangelegd. Alleen de palmbomen ontbreken nog, hoewel die hier van nature niet voorkomen, maar ze zijn al aangeplant dus.... We eten gezamenlijk en geven Gerrie een presentje voor de voortreffelijke wijze waarop ze de reis heeft geleid. Herman heeft er een prachtig masker van gemaakt. Als toetje eten we Rambutans, waarschijnlijk voorlopig voor het laatst maar dat stoort niemand want we kunnen die weeë tropische vruchten voorlopig niet meer zien. Geef mij maar weer een lekkere Hollandse appel. We kaarten gezellig wat na over de vakantie en gaan voldaan slapen.


Dag 32 | Puleau Mamukan (Borneo) 29 augustus

We ontbijten op het stand met Hollands uitzicht op de bloemenpracht waarop honingzuigertjes foerageren. Er is ook nog tijd voor een duik in zee, maar echt mooi snorkelen kun je hier niet. De boot pikt ons om tien uur weer op. In Kota Kinabalu lopen we nog wat langs kraampjes en winkeltjes en dan stappen we op het vliegtuig naar Penang. Hier moeten we onze achtergelaten souvenirs nog ophalen. Als ook dat allemaal is geregeld ploffen we weer in de vliegtuigstoelen en laten we ons naar huis brengen.