Interview met Bob de Moor

 

Karel Driessen

Bob de Moor

 

BOB, BART, CORI EN CO.

 

Bob de Moor u bent geboren te Antwerpen in 1925, u heeft ook uw tekenopleiding gehad te Antwerpen?

Ja, ik heb vier jaar academie gedaan onder de oorlog.

 

Dat was geen al te prettige tijd?

Ach, ik vond het wel een plezante tijd, maar je moet rekenen dat ik 14 jaar was toen de oorlog begon. Ik geloof dat dit een periode is waarin je zelfs met een oorlog je goed amuseert. Natuurlijk zijn er slechte momenten geweest, de bezetting, de bombardementen dat was niet alles, maar op de keper beschouwd heb ik niet zo'n slechte tijd gehad.

 

Als we Antwerpen zeggen denken we aan de haven en de schepen?

Ja, het is zo dat zeilschepen me nauw aan het hart liggen. Voor de oorlog ging ik geregeld naar de kade om de toegekomen schepen te gaan bekijken. Ik hoopte van grote zeilschepen te zien, maar zelfs in die tijd was dat al gedaan. Af en toe kwam er wel eens een schoolschip.

 

Heeft u ooit schoolschepen als L'Avenir en Pamir gezien? 

Nee, maar wel de Mercator die bezocht ik regelmatig, ooit zag ik eens het Italiaanse schoolschip Amerigo Vespucci. Wel heb ik eens, en dat was onder de oorlog, heel de kade afgelopen tot bijna aan de Hollandse grens, om de reproduktie van de Santa Maria te zien. Het bleek achteraf een 1 aprilgrap te zijn! Ik heb wel een oom gehad die scheepsjongen geweest is op de Pamir, daar heb ik trouwens een verhaal van twee platen over getekend voor Kuifje twee weken nadat de Pamir vergaan was.

 

U bent eigenlijk beginnen tekenen bij K.Z.V. U kende Ray Goossens?

Ik was 16 toen ik hem leerde kennen. Het was Ray Goossens die vroeg om bij hem op de tekenfilmstudio A.F.I.M. te komen werken.

 

Hoe werd daar gewerkt?

Ik werkte daar van augustus '44 tot april '45. In die periode werden een heleboel films gemaakt. Ik mag zeggen dat wij dat heel vlug deden in vergelijking met nu. Wij werkten toen met een 40-tal mensen bij de A.F.I.M.

 

In 1945 maakte u voor K.Z.V. Bart, de scheepsjongen?

Dat kwam door een vriend van Goossens, die er mee belast was voor K.Z.V. tekenaars aan te trekken. Hij vroeg dus zijn vriend Goossens en mij ook een verhaal te tekenen. Ik maakte Bart, de scheepsjongen en dat was mijn eerste professionele strip. Ik had daarvoor wel verhaaltjes getekend voor mijzelf, voor het plezier en Bart was de eigenlijke overgang want ik kreeg daar geld voor.

 

U vertelde voor uzelf?

Zeker, toen ik nog klein was en in bed lag, dan liet ik mij op de vloer glijden en stelde mij voor dat mijn bed een eiland was waar ik naartoe zwom... als mijn moeder boven kwam en vroeg wat ik aan het doen was durfde ik natuurlijk niets zeggen. Ze zou waarschijnlijk gedacht hebben dat ik gek was. Ik tekende mijn imaginaire avonturen wel eens en schreef daar tekst bij. Ik vertelde verhaaltjes aan mezelf.

 

U kon dus al goed tekenen?

Hmm, thuis vonden ze wel dat ik dat allemaal goed deed en de vrienden zegden dat ook wel maar ikzelf vond niet dat ik zo goed was, ik verstopte mijn tekeningen omdat ik ze zo slecht vond!

 

1946: Inspecteur Marks..

Dat is een van die verhalen waarvan ikzelf niet meer weet hoe ze in elkaar zitten of hoe de titels zijn. Ik heb in die tijd zoveel getekend dat ik nu haast niets ervan weet. Dat is eigenlijk jullie werk!

 

In 1946-1947 ‘De lotgevallen van Hannes Boegspriet’ en ook ‘De Lustige kapoentjes’?

Dat waren eigenlijk de figuren van Marc Sleen geloof ik.

 

We hebben dat opgezocht en de eerste afleveringen zijn getekend ‘Bob’.

Hmm, ik zei het al, van die tijd weet ik het allemaal zo goed niet meer.

 

1947: Willem Koelbloed, was dat een voorbereiding op ‘De Leeuw van Vlaanderen’?

Neen, toen ik Willem Koelbloed tekende had ik geen idee dat ik ooit nog ‘De Leeuw van Vlaanderen’ zou tekenen. Ik veronderstel dat de redacteurs van Kuifje dat verhaal gelezen hebben want de hoofdredacteur stelde me voor ‘De Leeuw van Vlaanderen’ te tekenen naar de roman van Conscience.

 

In 1947 maakte u ook ‘Professor Hobbel en assistent Sobbel

Ja, dat heeft nogal lang geduurd tot 1950 geloof ik. In datzelfde jaar tekende ik ook nog ‘Le secret du chateau fort’ met J. van Looveren als scenarioschrijver.

 

Als we al uw werk doornemen blijkt het dat u vele nachtjes aan de tekentafel hebt doorgebracht?

Zeg dat wel, in de periode tussen ’46 en ’50 had ik heel veel werk, vooral toen ik voor Kuifje begon. Ik werkte dag en nacht zelfs op zaterdag en zondag. Ik kreeg maar een paar uur slaap per nacht, ik voelde dat dit niet kon blijven duren en toen heb ik ’t Kapoentje laten vallen.

 

 

Dat wondere Pimpeltje, wat was dat voor iets?

Wel Jozef van Overstraeten de voorzitter van V.A.B. had dat boek geschreven en de redacteur had mij gevraagd daarvan een verhaal te tekenen.

 

U hebt ook verscheidene stopcomics getekendo.a. ‘Kareltje’ en ‘Professor Kwik’ in het weekblad De Zweep; ‘Familie Kibbel’ voor de Antwerpse Gids en ‘Monneke en Johnneke’ voor ’t Kapoentje.

Het laatste verhaal heeft een vriend van mij eigenlijk getekend. Deze vroeg om wat werk te geven voor in zijn vrije tijd. Ik maakte het scenario en zette wat potloodlijnen en hij werkte dat verder uit. Het was een verhaal met tekst onder de tekeningen.

 

Wat denkt u van beeldverhalen met tekst onder de tekening?

Ik moet zeggen dat ik dat vroeger veel gelezen heb. Voor de oorlog was dat eigenlijk de mode en zelfs na de oorlog bestond het nog. Maar in feite ben ik ertegen ofwel kijk ik naar de illustraties zonder meer ofwel lees ik een boek. Het is te gek om in de tekst de voorstelling van de tekening te herhalen.

 

In 1949 ‘De verklikker’. Het is eigenaardig dat u tot driemaal toe iets maakt over de Vlaamse Beweging?

Als jongen vond ik niets beters dan zeerover- of ridderverhalen. Ik las dan ook alle boeken van Conscience en Dumas en tekende graag over die tijd.

 

U hebt ook een goede preciese stijl om die dingen te tekenen.

Wel ja ik tracht zoveel mogelijk authentiek te tekenen.

 

In verband met die stijl hebt u die zelf ontwikkeld of hebt u hier en daar invloed ondergaan?

Natuurlijk ben ik beinvloed, vooral door Amerikaanse tekenaars en dan misschien Herge en Vandersteen. Er wordt mij wel eens verweten dat ik in de stijl van Herge teken, toen ik mijn eerste verhalen tekende kende ik Herge niet eens en toch leken onze stijlen op elkaar. Toen ik pas voor Kuifje werkte wwerd mij gezegd dat de koppen van mijn personages wat vulgair waren, daar heb ik dan rekening mee gehouden en getracht dit te verbeteren. Want kijk nu wat er gebeurd is met ‘Het hol van de wolf’, ik las hierover in een kritiek: ’De Moor is als een kameleon, hij weet zich aan te passen aan de stijl van een andere tekenaar’. Dat is helemaal mis! Het omgekeerde is juist gebeurd, in het begin leerde ik Martin rotsen en bomen tekenen, ik heb vroeger ook al aan de Lefranc albums gewerkt. Ik tekende de decors, niet volgens de stijl van Martin maar mijn eigen stijl die hij later heeft aangenomen. Hetzelfde met Herge, ik gebruik mijn stijl, ik denk nog niet aan de stijl van Herge.

 

Terug naar 1949 ‘De slaapmachine van Jonas’, ‘De Rosse’, ‘Het land zonder wet’ en Bloske en Zwik’…

Ja, Bloske en Zwik verscheen in ’t Kapoentje en was zelfs in kleur. Het scenario was van Gaston Durnez.

 

 

Voor Kuifje in 1949 ‘Mieleke en Dolf’ (alias Fee en Fonske) en natuurlijk ‘De Leeuw Van Vlaanderen’?

Dat was volgens mij het eerste ‘serieuze’ verhaal dat ik getekend heb.

 

Naar iets grappigers ‘Meester Mus’ in 1949…

Ach ja, er was een schrijver en die had een verhaaltje geschreven over een schoolmeester en zijn klas, daarover moest ik een omslag tekenen voor Kuifje. Toen vroeg ik mij af of ik daar geen strip van kon maken. Later heb ik de klas weggelaten en is alleen Meester Mus overgebleven.

 

Dan komen we in 1950 aan, uw hoofdfiguur ‘Barelli’. Hoe bent u op het idee gekomen?

De hoofdredacteur stelde mij voor een stripfiguur te ontwerpen voor Kuifje-Tintin. Liefst een Fransman. Hij vroeg een scenarist een klein scenario te maken voor mij en die had er een acteur van gemaakt. Ik vond dat een goed idee omdat je met een acteur geweldig veel mogelijkheden hebt. Ik heb het scenario uitgewerkt en ben beginnen denken aan een naam, hij was een Fransman maar ik vond dat er een beetje Italiaans moest inzitten, dus werd het Georges Barelli. Het negende verhaal ‘De heer van Gonobutz’ verschijnt binnenkort (20-7-1976).

 

In 1951 ‘Onder de vlag van de Compagnie’ en in 1952 ‘De kerels van Vlaanderen’, een vervolg op ‘De Leeuw Van Vlaanderen’?

Ja, dat is zoiets als ‘De drie musketiers’ en ‘Twintig jaar later’. De bedoeling was nog verder te gaan, een hele serie met o.a. ‘Jakob van Artevelde’ en nog andere romans van Conscience. Maar dan is Herge er tussen gekomen.

 

 

Wordt er ooit van die projecten iets gerealiseerd?

Mijn bedoeling is verder te gaan met Barelli maar daarenboven historische verhalen te tekenen. Zo ben ik nu aan ‘De onoverwinnelijke vloot’ bezig. Een verhaal rond Cori en de Spaanse Armada.

 

In 1949 een SF-thema met ‘Oorlog in het heelal’, Tijl Uilenspiegel (1950-1951), Sterke Jan (1951), Snoe en Snolleke (1951-1956) en Mik, Dik en Vik in ‘De zoetwaterpiraten’ (1959). In 1965 verschijntBalthazar’?

Balthazar was oorspronkelijk de broer van Meester Mus. Ik had een vijftal gags voorgelegd aan de redactie maar die vonden het niets. Echter al geruime tijd zocht ik om iets ‘anders’ te doen. Ik hadMad’ eens een paar keer gelezen en ik wilde ook eens iets in die richting proberen. Ik begon heel slecht te tekenen (wat zeer moeilijk was) met bibberlijntjes en verkeerd perspectief. Ik legde deze nieuwe figuur voor aan de redactie en dankzij hoofdredacteur Greg verscheen Balthazar in Kuifje. Het duurde echter niet lang of er kwamen brieven van lezers die vroegen of die tekenaar geen lat had om lijnen te trekken, of die nooit had leren tekenen en of ze die niet wilden buitengooien. Enfin…de meeste lezers vonden Balthazar niet goed en uiteindelijk is de redactie ondanks advies van Greg gezwicht en verdween Balthazar. Je moet weten daar waren echt immorele verhaaltjes bij b.v. die keer dat hij dat oude vrouwtje hielp hout te dragen… die veranderde in een fee en gaf hem een pak Dollars. Hij geeft die dan uit en het blijken valse te zijn. Balthazar krijgt dan dwangarbeid. Ik amuseerde me er wel mee.

 

 

In 1950 bent u dan bij Herge gaan werken. Was dat op vraag van Herge zelf?

Ja, inderdaad. Herge was toen ziek en zijn verhaal ‘Raket naar de Maan’ dat in Kuifje liep, was een paar weken onderbroken. Langs Leblanc om heeft hij mij gevraagd of ik niet kon komen helpen, een paar dagen in de week. Je zou kunnen denken dat ik zomaar ineens bij Herge begonnen ben maar dat ging heel geleidelijk. Drie dagen helpen werden er vier dan vijf maar eer het zover was, was er toch een jaar voorbijgegaan. Herge die toen zijn studio aan uitbouwen was vroeg mij te blijven als studio-chef.

 

Hoe was de aanpassing bij Herge?

Bah… aanpassen, ik tekende al in die stijl, zelfs vlugger dan Herge. Hij kreeg er kippevel van, zo vlug tekenen en dan nog goed! Maar we hebben ons alle twee aangepast en ik moet zeggen dat ik veel geleerd heb.

 

Werkten toen Martin en Leloup ook al op de studio?

Nee, dat was later. Leloup was de helper van Martin, en toen Herge aan Martin vroeg om ook op de studio te komen werken, kwam Leloup automatisch mee. Het oorspronkelijke idee van Herge was eigenlijk een studio uit te bouwen met alle tekenaars die voor Kuifje werkten. Dat bleek in de praktijk onmogelijk. Voor sommige tekenaars was de verplaatsing te moeilijk en het is ook zo dat vele tekenaars liever op zichzelf werken.

 

Wat hebt u allemaal gedaan bij Herge?

Van alles, ik zei dus al dat ik aan de albums van kuifje Kuifje meewerkte. Ook de albums van Jo en Jetje, het eerste waaraan ik meewerkte was de Najavallei. Daarnaast natuurlijk veel publiciteit voor firma’s die Kuifje op hun producten wilden afgebeeld zien.

 

U hebt ook tekeningen ontworpen voor het Belgisch paviljoen op de wereldtentoonstelling in Montreal 1967?

Dat was nogal een ingewikkeld procede waarbij aale Belgische striphelden werden afgebeeld op een achtergrond. Dan hebben we echter besloten de figuren op glas te reproduceren.

 

Twee Kuifje tekenfilms?

Ja, daar heb ik heel wat werk aan gehad. Ik maakte o.a. mee de decors en ik had de supervisie over al de tekenaars. Dat was wel nodig want die tekenaars hadden elk hun persoonlijke visie op Kuifje en ge moest ze in toom houden om ze allemaal dezelfde Kuifje te laten tekenen.

 

Nu even de toekomst ‘De onoverwinnelijke vloot’?

Ja, het verhaal dat opgebouwd is rond Cori beschrijft de ondergang van de Spaanse Armada in 1588. Het is een reuze werk, al die kleren uit de 16de eeuw, de details van de schepen, ik heb een massa documentatie moeten verwerken. Het verhaal verschijnt denkelijk volgend jaar.

 

Dit interview met Bob de Moor vond plaats met Karel Driesen, en is gepubliceerd in het tijdschrift voor stripliefhebbers GASTON nummer 4 (1976).